Verdampte geleerde

De Leidse hoogleraar Sebald J. Brugmans (1763-1819) bekleedde vier leerstoelen en legde een enorme collectie naturaliën aan. Museum Boerhaave wijdt een tentoonstelling aan het vergeten fenomeen.

De vitrine ligt netjes volgestapeld met schedels en schedeldaken. Een prettige indruk maken ze niet. Stuk voor stuk vertonen ze het verwoestende effect van een sabelhouw. Ze zijn het resultaat van de slag bij Waterloo, waar op 18 juni 1815 Napoleon door het geallieerde leger werd verslagen. Het aantal slachtoffers was enorm: verspreid over een gebied van nog geen drie vierkante kilometer lagen de lichamen van veertigduizend dode en gewonde militairen en van tienduizend paarden. De cavalerie was een machtig wapen, getuige de schade die aan de schedels is toegebracht. Een vertoont een handvol kerven, keurig naast elkaar, maar de meeste hebben gaten om van te huiveren.

De gehavende Waterloo-schedels zijn te zien op de tentoonstelling Het vergeten fenomeen, Sebald J. Brugmans (1763-1819): verzamelaar tussen koning, keizer en universiteit, die donderdag in Museum Boerhaave is geopend. Brugmans, die in Leiden vier leerstoelen bekleedde, prefect van de Hortus Botanicus was, als Rector Magnificus de universiteit door de zware Napoleontische bezettingstijd loodste en tal van adviesfuncties voor de overheid vervulde, was ten tijde van de slag bij Waterloo inspecteur-generaal van de militair geneeskundige dienst. De nacht na het gevecht was hij al in Brussel om persoonlijk leiding te geven aan de verzorging van de gewonden. Ondanks de chaos stampte hij binnen enkele dagen een vlotlopende noodhulp uit de grond. Door consequent aan te dringen op luchtverversing en het verspreiden van de gewonden over omliggende steden wist hij te voorkomen dat er hospitaalversterving of andere epidemieën uitbraken. Tegelijk liet hij zich als verwoed verzamelaar de kans niet ontglippen op het slagveld op zoek te gaan naar interessant materiaal voor zijn collectie, later te gebruiken op zijn colleges.

rechtvaardiging

Het is voor het eerst sinds 1983 dat Museum Boerhaave een historisch persoon als uitgangspunt voor een tentoonstelling neemt. Ging het toen om Antoni van Leeuwenhoek, ditmaal is voor een vergeten geleerde gekozen: Sebald Justinus Brugmans. De rechtvaardiging is dat Brugmans in zijn tijd zeer bekend was, in een zeer interessante periode leefde, en tijdens zijn leven een verzameling van ruim 4000 naturaliën aanlegde. Vooral dat laatste heeft geleid tot een gevarieerde tentoonstelling met voorwerpen die niet alleen een lust voor het oog zijn, maar bovendien het idee dat de periode rond 1800 niets interessants te bieden zou hebben tegenspreken. Hans de Jonge, die een proefschrift over de geleerde wereld rond 1800 voorbereidt, schreef de tekst van de geïllustreerde catalogus.

Brugmans was de zoon van een hoogleraar in de wis-, natuur- en sterrenkunde. Zijn vader nam hem vaak mee op botaniseertochtjes op het Groningse platteland, waar Sebald schelpen, stenen en fossielen verzamelde, maar verbood hem op twaalfjarige leeftijd mee te doen aan een prijsvraag van een wetenschappelijk genootschap. Toen hij vijftien was schreef Sebald zich in aan de Groningse universiteit, om na drie jaar bij zijn vader te promoveren op een beschrijving van de in de Groningse bodem voorkomende steensoorten. Hij had ze tijdens urenlange zwerftochten verzameld. De woede tot verzamelen en systematisch beschrijven zou hem tijdens zijn wetenschappelijke leven niet meer loslaten.

Een jaar na zijn promotie werd Brugmans benoemd tot hoogleraar in Franeker, om in 1786 naar Leiden te verkassen. Al snel kreeg hij naast de botanie ook de natuurlijke historie en de scheikunde onder zijn hoede, zodat hij tegelijk drie leerstoelen bekleedde (later zou daar geneeskunde nog bijkomen). Publiceren deed Brugmans nauwelijks, maar zijn colleges waren een attractie. Hij las de studenten niet voor uit een slaapverwekkende Latijns dictaat, maar hield uit het hoofd bruisende voordrachten waarbij het soms leek alsof hij in trance raakte. Vooral plantensystematiek en de taxonomische indeling van het dierenrijk stonden op het programma. Het hoogtepunt in de collegereeks over natuurlijke historie was antropologie. In dat verband kwam ook de frenologie van Franz Joseph Gall aan bod. Volgens deze Oostenrijkse geleerde lieten de geestelijke vermogens en zelfs het karakter van een mens zich aflezen aan de hand van de vorm van hun hersenen en schedels. Taalvaardigheid, zinnelijkheid, godsdienstigheid: alle hadden ze hun eigen bobbel of deuk aan de buitenkant van de schedel.

Al deze colleges illustreerde Brugmans met voorwerpen uit de natuurhistorische collectie die hij tijdens zijn leven opbouwde. Alles stond opgesteld in zijn dienstwoning in de Nonnensteeg, vlakbij de Hortus. Bij zijn dood ging het om 4081 objecten, de grootste particuliere verzameling naturaliën van Europa. Er zaten honderden schedels bij, waaronder 57 koppen van `waanzinnigen, geheel onnozelen, van anderen door sterk geheugen, door moed, moordlust, neiging tot steelen, tot allerlei bedrog en tot wellust hoogst geneigden'. Ook pathologie was ruim vertegenwoordigd, waarbij de botten waren gerangschikt naar kwetsuur: kneveling, sabelhouw, amputatie, kanker, reuma, `venusziekten', enzovoort. Als inspecteur-generaal van de militair-geneeskundige dienst was het voor Brugmans een koud kunstje om aan materiaal te komen. Menig militair die een behandeling niet overleefde kreeg via de snijtafel in het instructiehospitaal een plaatsje in de collectie.

Na de dood van Brugmans verkocht zijn vrouw het geheel voor 34.000 gulden aan de universiteit destijds een fenomenaal bedrag. Al snel viel de verzameling uit elkaar. Een deel kwam in het Anatomisch Museum in Leiden, Museum Boerhaave heeft het een en ander maar verreweg het grootste deel vond zijn weg naar het natuurhistoris museum Naturalis. De preparaten vertellen niet alleen veel over hoe er 200 jaar geleden verzameld werd, ook de techniek waarmee dat gebeurde komt aan het licht. Harde delen als schedels of huiden werden gedroogd, Weke delen als longen en harten belandden vaak in een pot alcohol en ook werden aderen en bloedvaten met was opgespoten, wat fraaie maar ook zeer kwetsbare objecten opleverde. Een aantal gehavende exemplaren valt op de tentoonstelling te bewonderen.

Behalve geleerde was Brugmans een veelgevraagd adviseur van de regering. In 1795, na het binnentrekken van de Franse troepen, werd de Bataafse Republiek uitgeroepen en kwam er centraal gezag. Eindelijk konden vermolmde instellingen uit de tijd van de oude Republiek, waaronder het onderwijs, worden hervormd. Al genoemd zijn Brugmans activiteiten voor de militair-geneeskundige dienst. Daarmee oogstte hij zoveel succes dat hij in 1798 gevraagd werd minister van Oorlog te worden `Nimmer heb ik een ander kleed begeerd dan dit', reageerde hij en wees naar zijn toga. Brugmans adviseerde de regering op het gebied van de veeartsenijkunde en ook werd hij in 1799 gevraagd een landelijke farmacopee op te stellen, een voorschriftenboek voor de bereiding van medicijnen, de Bataafse Apotheek.

Als rector magnificus stond Brugmans voor de taak de Leidse universiteit door de Napoleontische tijd te loodsen. Dat viel niet mee. Herhaaldelijk waren er opstootjes tussen studenten en militairen, Parijs veranderde leeropdrachten van hoogleraren en studenten liepen het risico in dienst te moeten. Brugmans moest zien te schipperen tussen Franse decreten waar hij niet onderuit kon en het Leidse verzet tegen drastische hervormingen. Die houding werd hem na de val van Napoleon kwalijk genomen en eind 1813 moest hij het rectoraat van de universiteit en ook zijn functie bij de geneeskundige dienst neerleggen.

gestolen kabinet

Maar na het Organiek Besluit van 1815, Nederlands eerste wet op het hoger onderwijs, was Brugmans weer helemaal terug. In opdracht van koning Willem I toog hij naar Parijs om het door de Franse gestolen kabinet van stadhouder Willem V terug te halen. Ruim tienduizend voorwerpen kreeg hij van het Musée d'Histoire Naturelle terug en terwijl die collectie per schip naar Nederland onderweg was besloot de koning haar aan de Leidse universiteit te geven. Maar Brugmans kon praten als Brugman, de fossiele schedel van de enorme Maashagedis bleef in Parijs, die schat stonden de Fransen niet meer af. Op de expositie in Museum Boerhaave ligt een afgietsel van het monster uit Maastricht. Bij wijze van gerechtigheid kwam in 1998 een nog groter exemplaar uit de Limburgse mergel tevoorschijn.

De tentoonstelling in Museum Boerhaave is onderverdeeld in een gedeelte dat de tijd en de omgeving van Brugmans weergeeft, en een deel waarin zijn collectie centraal staat. Zo is het Leidse kruitschip, dat in 1807 ontplofte, aanwezig met een stuk lood uit de kiel en met het roer. Ook staan er een zuil van Volta en een ontlaadtang, voorwerpen waarmee in de vele genootschappen van die tijd volop werd geëxperimenteerd zij het dat proeven werden nagedaan, in plaats van iets nieuws te verzinnen. Ook de academie Ars Aemula Naturae, die Brugmans nieuw leven inblies, paste in de genootschapscultuur: veel gipsen kopieën van antieke sculptuur.

Een tussenruimte met een tijdbalk voert naar de ruimte waar het om draait. Er is veel moois te zien. Brandijzers en amputatie-instrumenten, vuurwapens van de slag bij Waterloo, prenten van planten uit de Hortus, waterhoofden, dubbele kalfskoppen, tanden, kaken, huiden en hoorns van de walrus tot de krokodil, magen en darmen van de haai tot de kameel, kangoeroe- en dolfijnenharten, vele soorten schedels en Gronings gesteente. Alles verluchtigd met fraaie prenten en gravures. Geheel tegen de traditie van de laatste jaren in zijn toeters en bellen afwezig. Er is gekozen voor een heldere, open inrichting van de zaal. De vormgeving is strak en sierlijk, zonder tierelantijnen, voor kinderen is niets bedacht en de bezoeker hoeft niet zelf aan snoektanden of haaieharten te voelen. Heerlijk.

Het vergeten fenomeen Sebald J. Brugmans (1763-1818), verzamelaar tussen koning, keizer en universiteit. Tentoonstelling Museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. T/m 19 mei 2002. Catalogus: ƒ15.-. Zie ook www.museumboerhaave.nl.