Uitlevering van de duivel

Gaven Belgische politici in 1960 opdracht om de afgezette Congolese premier Patrice Lumumba te liquideren? Een enquêtecommissie in Brussel spreekt binnenkort het verlossende woord. `Men gaat ons vermoorden, is het niet?'

Het is 17 januari 1961, half tien 's avonds. Drie Congolese politici arriveren op een open plek in het bos bij Mwadingusha, Katanga, een provincie in het zuiden van Congo die zich heeft afgescheiden van de voormalige Belgische kolonie. De drie, onder wie de afgezette premier Patrice Lumumba, worden begeleid door twintig militairen, politiemannen en Katangese ministers. In het schijnsel van koplampen kijken ze naar drie gaten in het zand. Eerder, bij het uitstappen uit een van de Amerikaanse limousines, heeft Lumumba aan een Belgische politiecommissaris al gevraagd: ,,Men gaat ons vermoorden, is het niet?'' Het antwoord is kort. ,,Ja.''

Een voor een worden de Congolezen voor een gat gezet. Dan klinkt op bevel van een Belgische legerkapitein een mitrailleursalvo. Lumumba, blote voeten en alleen in pantalon, gaat er als laatste aan. Hij beeft. Een Belgische politieman graaft de lijken later op en laat ze in zoutzuur oplossen.

Over de executie van Lumumba is de afgelopen jaren al veel bekendgeworden. Belgische en Katangese getuigen kwamen in diverse publicaties aan het woord. Na de verschijning van De moord op Lumumba (1999) van publicist Ludo de Witte besloot het Belgische parlement een enquêtecommissie in te stellen om de betrokkenheid van Belgische politici bij de dood van Lumumba te onderzoeken. De afgelopen maanden hoorde zij vele getuigen. Binnenkort maakt de commissie haar conclusies bekend. De meeste betrokkenen zijn overigens overleden.

De Belgische overheid heeft altijd elke betrokkenheid ontkend. Belgische militairen, politiemensen en ambtenaren in Katanga werden weliswaar vanuit Brussel betaald, maar zij vielen formeel onder het gezag van de Katangese regering. Volgens de officiële Belgische lezing was de executie van Lumumba een afrekening, een zaak van Congolezen onder elkaar.

In `De moord op Lumumba' vertelt Ludo de Witte een ander verhaal. Meeste aandacht trok zijn onthulling van een telex van de Belgische minister van Afrikaanse Zaken, graaf Harold d'Aspremont Lynden. Op 6 oktober 1960 meldde hij aan zijn medewerkers in Elisabethstad en Brazzaville (voormalig Frans-Congo) dat de ,,definitieve eliminatie'' van Lumumba prioriteit heeft. Bedoelde hij dat Lumumba fysiek moest worden uitgeschakeld? Daarover buigen zich nu zelfs taalkundigen.

Naar de rol van de Verenigde Staten in Congo deed een Amerikaanse Senaatscommissie al in 1975 onderzoek. Maar de rol van de Belgische politiek was tot voor kort nooit onderwerp van serieus onderzoek. De relevante archieven bleven gesloten. Dit keer kregen wetenschappelijke experts van de enquêtecommissie zelfs toegang tot de koninklijke archieven.

De Belgische regering van christen-democraat Gaston Eyskens had met lede ogen moeten toezien hoe de 34-jarige Patrice Lumumba op 30 juni 1960 de eerste premier van Congo werd. Congo had slechts zeventien academici op een bevolking van ruim 13 miljoen. België had nog decennia willen nemen om het land voor te bereiden op de onafhankelijkheid. Het land had grote economische belangen in Katanga, een provincie rijk aan koper en andere mineralen. Maar de druk van Lumumba's Mouvement National Congolais (MNC) was te sterk.

Lumumba, begonnen als klerk bij de posterijen, was geïnspireerd door antikoloniale Afrikaanse leiders als de Ghanese nationalist Nkrumah en de Egyptische president Nasser. Door z'n lange, knappe verschijning en enorme spreektalent had hij grote aantrekkingskracht. Na zijn dood verwierf hij bij sommigen een cultstatus.

Aanvankelijk kon Lumumba zich nog wel vinden in de door Belgische politici en koning Boudewijn gepropageerde gedachte van een Belgisch-Congolese gemeenschap. Een verblijf in de gevangenis in 1956 zorgde voor een keerpunt. Lumumba werd veroordeeld wegens financiële malversaties bij de posterijen. Z'n tijd in de cel gebruikte hij voor het lezen van antikoloniale lectuur. Lumumba wilde daarna nog wel samenwerken met de Belgen. Maar hij voelde de anti-Belgische stemming bij z'n aanhangers, die het racisme en de achterstelling beu waren. Lumumba's aanhangers zagen zijn gevangenisstraf als een complot van de Belgen.

Onderdrukker

Al op de dag van de soevereiniteitsoverdracht in 1960 is de kloof tussen Lumumba en Brussel zichtbaar. Koning Boudewijn zwaait in zijn rede lof toe aan koning Leopold II. Die heeft door zijn optreden in Belgisch-Congo ruim een halve eeuw eerder een reputatie verworven als hardvochtig koloniaal onderdrukker en uitbuiter. Maar volgens Boudewijn is de onafhankelijkheid van Congo ,,de bekroning van het werk dat door het geniale brein van Leopold II werd ontworpen''.

De Congolese president Kasavubu doet wat van hem wordt verlangd en houdt het beleefd. Dan verrast Lumumba iedereen met een niet geprogrammeerde toespraak. Hij heeft het over ,,de vernederende slavernij'' en ,,de beledigingen, de spot die we elke morgen, middag en avond moesten ondergaan'' en ,,de schietpartijen waardoor zovele van onze broeders zijn omgekomen''. Bij de westerse ambassadeurs maakt Lumumba zich verdacht door te spreken over de ,,hulp van talrijke andere landen'' waarop Congo zonodig kan rekenen.

De Congolezen in het Palais des Nations geven Lumumba een ovatie. De Belgische delegatie is woedend. Het is een streep door de rekening van de koloniale elite die vindt dat er na de onafhankelijkheid zo weinig mogelijk moet veranderen. Met moeite weerhoudt premier Eyskens de zichtbaar geschokte koning Boudewijn ervan nog dezelfde avond naar België terug te vliegen.

Een paar dagen later doet de Belgische bevelhebber van het Congolese leger Emile Janssens de lont in het kruitvat ontbranden. Op een schoolbord heeft de generaal uitdagend voor z'n soldaten opgeschreven: Avant l'indépendance = après l'indépendance. Met andere woorden: alles moet bij het oude blijven. Een muiterij breekt los. Lumumba afrikaniseert in één klap het legerkader. Journalist Manu Ruys, destijds verslaggever voor dagblad De Standaard in Congo en auteur van Waarom Lumumba moest sterven (2000), noemt Lumuba's speech zijn ,,fatale gloriemoment''.

In juni van dit jaar concludeerden de experts van de enquêtecommissie in een tussentijds rapport dat de regering-Eyskens over geheime fondsen beschikte om het bewind van Lumumba omver te werpen. Ze ontdekten ook Belgische moordcomplotten tegen Lumumba. Bovendien had koning Boudewijn een ,,parallel'' informatiecircuit, naast dat van de regering. Zo kreeg hij een verslag van een ontmoeting op 16 oktober 1960 tussen de Congolese legerchef Joseph Mobutu met de Katangese premier Tsjombe. Mobutu, de latere dictator, en Tsjombe, zelf ook getuige van de moord op Lumumbu, spraken volgens het verslag over diens ,,complete neutralisering (zo mogelijk fysiek)''. De koning hield de informatie voor zichzelf.

Fotoalbum

Tijdens een gesprek thuis in een dorp bij Charleroi bladert gepensioneerd militair Paul Heureux in een oud fotoalbum. Hij haalt herinneringen op. Zoals aan de disciplinaire straf die hij eind jaren vijftig kreeg opgelegd, omdat hij een zwarte soldaat en zijn echtgenote thuis op de veranda had ontvangen. Maar het meest verbaasd is de 71-jarige Heureux nog altijd hoe hij verzeild raakte in een mislukt complot om Lumumba te vermoorden.

Het is eind oktober, 1960. Verbindingsofficier Heureux zit op zijn bureau in de Belgische ambassade in Brazzaville, de hoofdstad van de Franse ex-kolonie Congo-Brazzaville. Hij krijgt een curieus telefoontje uit Brussel: ,,Een man vertelde me dat iemand de volgende dag twee pakketten zou brengen op de ambassade. De volgende dag meldde zich iemand aan de dienstingang van de ambassade. Een pakket bevatte een mitrailleur Sten Mk III. En in een envelop zat twee miljoen frank.'' Heureux toonde de mitrailleur en het geld aan zijn chef, kolonel Louis Marlière, adviseur van de Congolese legerleider Joseph Mobutu. Ook de Belgische ambassadeur was ingelicht, aldus Heureux.

De rest lijkt een goedkope B-film. ,,Ik moest de volgende ochtend naar bar `Pam-Pam' in Brazzaville. Daar moest ik aan de Griek `Georges' de mitrailleur en tweehonderdduizend frank overhandigen. De rest van het geld zou `Georges' krijgen `wanneer het werk was uitgevoerd'.''

Volgens Heureux gaf zijn chef Marlière hem ,,opdracht'' om naar de bar te gaan. ,,De man in Pam-Pam'', vertelt hij, ,,kon een broer zijn van Onassis. Ik vroeg hem wie het object van zijn `werk' was. Hij antwoordde dat het om Lumumba ging.'' De Griek verdween echter spoorloos. Bovendien waren aanslagen moeilijk omdat Lumumba in zijn residentie bescherming genoot van VN-troepen. Heureux is nu nog opgelucht dat de aanslag niet doorging. ,,M'n geweten zou me hebben achtervolgd.''

Volgens de experts van de parlementscommissie waren Brazzaville en Elisabethstad de ,,draaischijven'' voor Belgische undercover-operaties. Daarnaast heeft Lumumba te maken met binnenlandse oppositie. Die groeit verder wanneer zijn troepen duizenden burgers afslachten in het door stammentwisten verscheurde Zuid-Kasai.

Washington wordt nog nerveuzer dan het al was als de Sovjet-Unie Iljoesjins voor transporten ter beschikking stelt aan Lumumba. President Eisenhower geeft de CIA groen licht om Lumumba fysiek uit te schakelen. De inlichtingendienst ziet daar vanaf, volgens publieke verklaringen van voormalige CIA-agenten, als blijkt dat de Belgen aan hetzelfde werken.

De Belgische regering wil niet alleen de economische belangen in Katanga veiligstellen. De machtspositie van Lumumba moet worden ondermijnd door van Congo een confederatie te maken. Daarom steunen de Belgen ook de afscheiding van de diamantprovincie Zuid-Kasai.

Boudewijn

Opmerkelijk is de grote bemoeienis van koning Boudewijn met de Congo-politiek. Uit het onderzoek van de experts blijkt dat hij begin augustus 1960 zware druk uitoefent op de regering-Eyskens. Boudewijn wil dat de regering aftreedt omdat zij naar zijn zin niet resoluut genoeg de kant van Katanga kiest. ,,De koning is ervan overtuigd, dat Katanga onze laatste kaart is'', schrijft Boudewijns kabinetchef op 27 juli. De bemoeienis gaat zelfs de christen-democratische leider Theo Lefèvre te ver. In een brief wijst hij de koning terecht.

Premier Eyskens geeft niettemin toe aan de druk van de koning en herschikt zijn kabinet: de hardliner graaf Harold d'Aspremont Lynden wordt minister van Afrikaanse Zaken. D'Aspremont en enkele van zijn naaste medewerkers behoren tot de Franstalige christen-democratische partij die het aartsconservatieve establishment met zijn Congolese belangen onderdak biedt en het unitaire België ook in Congo fanatiek verdedigt.

D'Aspremont, oud-verzetsman in de Tweede Wereldoorlog, boekt zijn eerste succes al op 5 september 1960, wanneer president Kasavubu ingaat op de Belgische wens dat Lumumba als premier wordt ontslagen. Volgens Kasavubu is Lumumba bezig ,,het land in een vreselijke burgeroorlog te storten''. Het parlement, dat Lumumba steunt, wordt door Kasavubu naar huis gestuurd. Belgische diplomaten spreken van ,,de omverwerping volgens onze wensen''. Het drukken van het Congolese staatsblad met het ontslagbesluit is volgens de parlementaire onderzoekers uit Belgische geheime fondsen betaald.

Vanaf dat moment stelt de Belgische regering alles in het werk om te voorkomen dat Lumumba ooit nog een machtsfactor wordt. Steeds weer duikt daarbij de naam op van kolonel Louis Marlière, de Belgische adviseur van Congo's legerchef Mobutu. Zo stuitten de experts op wat zij `actie 58316' noemen, een verwijziging naar een voor Marlière bestemde telex: nummer 583 van 16 september 1960.

Opmerkelijk is dat de experts voor het eerst een direct verband kunnen leggen naar minister d'Aspremont zelf. In telex 583 laat diens militaire adviseur, majoor Jules Loos, weten dat twee agenten in aantocht zijn voor een `action prévue'. Wat die `voorziene actie' inhoudt wordt duidelijk uit een rapport dat een van deze agenten voor minister d'Aspremont schrijft over z'n bezoek aan Marlière en z'n trip naar Congo. Volgens de inlichtingenagent moet de chef van de hele operatie ,,in staat zijn z'n manschappen de methodes van aanval, executie, aanslagen, wapens, explosieven, listen, verwarring en knevelarij bij te brengen''. Daarna reist volgens de experts d'Aspremonts militaire adviseur voor overleg naar Marlière. De inmiddels overleden Marlière onthulde anderhalf jaar geleden in een Duitse tv-documentaire dat deze hem vroeg een ,,krokodillendoder'' op Lumumba af te sturen. Het is niet het enige complot waarop de experts zijn gestuit.

Eind november 1960 weet Lumumba, verstopt in een dienstwagen van het huispersoneel, te vluchten voor Mobutu's troepen die naast de VN-troepen ook om zijn residentie lagen. Maar hij maakt de fout onderweg in dorpen de bevolking te gaan toespreken. De troepen van Mobutu arresteren hem alsnog.

Duivel

VN-secretaris-generaal Hammarskjöld dringt in een brief aan op een behoorlijke behandeling, maar Mobutu weigert een delegatie van de Verenigde Naties een controlebezoek. Landen als China en Joegoslavië eisen Lumumba's vrijlating. Washington vraagt om een `eerlijk proces'. Intussen ontvangt koning Boudewijn in Brussel de Katangese premier Tsjombe. Van minister d'Aspremont krijgt hij het grootlint van de Kroonorde omgehangen.

De ongerustheid in België neemt toe wanneer Lumumba's aanhangers half december in Stanleystad een eigen regering installeren. In het diepste geheim dringt Brussel er bij president Kasavubu op aan Lumumba naar Katanga over te brengen. De Belgen doen voor hem het voorwerk. Verbindingsofficier op de Belgische ambassade in Brazzaville Paul Heureux getuigde voor de parlementscommissie dat hij al in december 1960 de volgende Brusselse boodschap ontving: ,,Vraag aan de jood of hij ermee akkoord gaat de duivel te ontvangen.'' Met `jood' werd Moise Tsjombe bedoeld, de `duivel' is Lumumba. Het Belgische consulaat in Katanga antwoordt omineus: ,,U moet weten wat er met hem zal gebeuren, als hij naar Katanga komt.''

Tsjombe is aanvankelijk weigerachtig, omdat hij vreest dat Katanga alleen maar met een probleem wordt opgezadeld. Zijn lokale Belgische staf steunt hem daarin. Maar Tsjombe is ook afhankelijk van de Belgische regering. De druk neemt toe na een muiterij op 13 januari 1961 in het militaire kamp waar Lumumba vastzit.

Kasavubu en Mobutu spreken Lumumba's doodvonnis uit, maar maken hun eigen handen er niet aan vuil. Ze willen hem aanvankelijk naar Zuid-Kasai sturen, waar de bevolking sinds de slachtpartij door Lumumba's troepen zijn bloed wel kan drinken. Hoe groot de haat in Zuid-Kasai was bleek in februari 1961 toen de Congolese regering zes vooraanstaande Lumumbisten overdroeg, die meteen na aankomst werden afgemaakt. Maar Kasavubu vindt het risico te groot dat Lumumba er bescherming krijgt van sympathiserende Ghanese VN-troepen, die op het vliegveld zijn gestationeerd. Kasavubu kiest alsnog voor Katanga. Tsjombe's kabinetchef Bartelous verklaarde voor de parlementscommissie dat volgens alle Belgen in Katanga Lumumba een verblijf daar nooit zou overleven.

Op 17 januari 1961 vliegt Lumumba z'n dood tegemoet. Minister d'Aspremont heeft een dag eerder via Brazzaville een telex aan Tsjombe laten sturen: ,,Overmaken aan president Tshombe. Citaat. Minaf Aspremont dringt persoonlijk aan bij president Tshombe dat Lumumba in de kortst mogelijke tijdspanne naar Katanga zou worden overgebracht. Einde citaat. Gelieve me op de hoogte te houden.'' Pas op 13 februari maakt de Katangese minister van Binnenlandse Zaken, Munongo, de dood van Lumumba wereldkundig. Volgens Munongo, aanwezig bij de executie, werd hij op de vlucht door dorpelingen vermoord.

Premier Eyskens is volgens de experts van de enquêtecommissie al in januari op de hoogte. Maar om geen verdenking op de Belgen te laden speelt hij een ,,macabere komedie''. Eyskens dringt in een communiqué aan op een ,,goede behandeling'' voor Lumumba.