STRANDLOPERS HALEN EIERLEG-ENERGIE UIT VOEDSEL OP DE TOENDRA

Strandlopers die broeden in het hoge noorden halen de voedingsstoffen die zij nodig hebben voor het produceren van eieren uit voedselbronnen van de toendra. Omdat de zomers in het poolgebied zo kort zijn, ging men er voorheen uit dat de vogels teren op reserves die zij voorafgaand aan de voorjaarstrek in hun lichaam opslaan omdat het hen ontbreekt aan de tijd om eerst te foerageren. Maar uit veldonderzoek van de Nederlandse ecologen Marcel Klaassen en Theunis Piersma, in samenwerking met hun Scandinavische collega's Åke Lindström en Hans Meltofte, blijkt nu dat de vogelmoeders de extra voedingsstoffen die zij nodig hebben voor het eierleggen geheel uit voedselbronnen in het hoge noorden betrekken (Nature, 25 okt.).

Klaassen en zijn medewerkers onderzochten tijdens een expeditie in arctisch Canada en Groenland tien soorten strandlopers: de zilver-, bontbek- en Amerikaanse bontbekplevier, de steenloper en de kanoet-, drieteen-, paarse, bonte, kleine grijze en Bonapartes strandloper. Ze verzamelden veren, dons en eieren om later in het laboratorium met behulp van een massaspectrometer de koolstofisotopenratio C/C te bepalen.

Deze isotopenratio verraadt welke voedselbronnen zijn benut bij de aanleg van nieuwe weefsels. De veren van de volwassen vogels laten duidelijk zien dat zij gevormd zijn in het overwinteringsgebied. De isotopenverhouding is hoog, kenmerkend voor prooidieren in brakke estuaria. De inhoud van de eieren en het dons van de kuikens is iets lager, in overeenstemming met de voedselbronnen die beschikbaar zijn op de toendra.

Ecologen maken onderscheid tussen `kapitaalbroeders' en `inkomenbroeders' onder trekvogels. Kapitaalbroeders broeden als rentenier van hun meegenomen vet- en eiwitvoorraad (uit het overwinteringsgebied of de `tankstations' onderweg). Inkomenbroeders daarentegen vergaren de extra voedingsstoffen door te eten in het broedgebied zelf.

Uit de nieuwe gegevens blijkt dat steltlopers geen kapitaalbroeders zijn maar inkomenbroeders. Om tot deze conclusie te kunnen komen moest het team van Klaassen wel de schaarse gegevens van tien verschillende soorten arctisch broedende steltlopers combineren. Alleen zo konden ze aan voldoende meetpunten komen. De onderzoekers zochten soms dagenlang naar nesten op de uitgestrekte hoog-arctische vlakten en kwamen dan met een schamele oogst aan donsveertjes thuis. Maar omdat alle betrokken soorten de radicale ommezwaai van een estuariene leefomgeving naar de terrestrische zoetwaterleefomgeving van de toendra maken, is deze clustering gerechtvaardigd.

Extra reserves meetorsen voor het eierleggen blijkt onvoordelig voor kleine trekvogels. Een strandloper van bijvoorbeeld 30 gram legt een nest met vier eieren van wel 24 gram totaal. Als dit gewicht uit de overwinteringsgebieden zou moeten worden meegedragen, zouden de `transportkosten' te hoog worden.

Grotere, zwaardere soorten arctische broedvogels, zoals ganzen en zwanen, zijn waarschijnlijk wel kapitaalbroeders. Zij hebben kleinere legsels, die ze in ieder geval gedeeltelijk in hun lichaam kwijt kunnen alvorens ze op trek gaan. Het extra gewicht telt relatief minder zwaar in de vliegkosten. Bovendien duurt de broedtijd bij grote vogels langer dan bij kleine, zodat ze veel meer haast hebben tijdens de korte poolzomer. Met de meegebrachte reserves kunnen ze bij aankomst meteen beginnen met broeden.