Man uit het ijs

Ötzi is waarschijnlijk de meest onderzochte archeologische vondst, maar toch blijft hij raadselachtig. De recente ontdekking van een pijlpunt in zijn lichaam kwam als een totale verrassing.

Tot afgelopen zomer had niemand hem ooit opgemerkt, de pijlpunt in de rug van de 5.300 jaar oude ijsmummie Ötzi. Toch is-ie duidelijk zichtbaar als je weet waar je moet kijken. ``Kijk maar eens op de röntgenfoto in het boek dat je in het museum kunt kopen'', zegt de Zuid-Tiroler radioloog Paul Gostner, ``dan zie je hem meteen zitten.'' En inderdaad. Iedere toerist had het kunnen zien, voor het linker schouderblad. De radiologen die al tien jaar onderzoek op het lichaam Ötzi verrichtten staan een beetje voor gek. ``Ik zag het gelijk'', zegt de flegmatische Gostner, verbonden aan het ziekenhuis in Bozen (It: Bolzano). Afgelopen zomer maakte hij op verzoek van het museum een aantal foto's van de ijsmummie. Zo te zien is de punt van hetzelfde type als waar Ötzi er zelf ook twee van bij zich droeg.

Vorige maand was er in Bozen, waar Ötzi zich sinds 1998 in het Zuid-Tiroler Archeologiemuseum bevindt, een tweedaags wetenschappelijk congres, ter ere van tien jaar Mann aus dem Eis/L'Uomo venuto dal Ghiaccio. Er was ook een musical (`Frozen Fritz') en een speciale Italiaanse postzegel van 41 eurocent. In het zuidelijke Schnalstal werd met zicht op Ötzi's vindplaats een Archeo-park geopend. De Duitssprekende regio Zuid-Tirol koestert zijn prehistorische held.

Tien jaar lang is de ijsmummie, die zorgvuldig in een vrieskamer wordt bewaard, onderzocht door naar schatting zo'n 65 internationale teams: drie à vierhonderd wetenschappers in totaal. ``Ik denk dat er geen andere archeologische vondst is die zó intensief is onderzocht'', zegt de prehistoricus Markus Egg van het Römisch-Germanisches National Museum in Mainz, die de vele gebruiksvoorwerpen en kleren van Ötzi onderzocht.

``Er is geen verontschuldiging mogelijk'', geeft Dieter zur Nedden toe. Hij is radioloog van de Universiteit Innsbruck, waar de mummie tot begin 1998 werd bewaard en onderzocht. ``Telkens als we nieuwe medische apparatuur kregen gebruikten we die ook voor onderzoek op Ötzi.'' ``Verdammt noch mal'', reageert de Weense antropoloog Horst Seidler emotioneler. Vanaf het begin is hij nauw bij het Ötzi-onderzoek betrokken. ``We hebben het gewoon gemist! Het is een kwestie van selectieve waarneming. We letten vooral op botbreuken en we waren gefascineerd door de organen. Ik feliciteer Bozen!'' De overdracht van de IJsmummie naar Bozen is achteraf gezien een goede psychologische move, aldus Seidler.

Het is een gevaarlijke plek om een pijlpunt in je lichaam te hebben, legt de Bozener patholoog Eduard Egarter Vigl uit. Hij is Primararzt van de pathologie-afdeling in het ziekenhuis in Bozen en sinds januari 1998 verantwoordelijk voor de conservering van het lichaam van Ötzi. Hij heeft het zelfs nog eens nagekeken in een modern lijk (zo laat hij met veel fraaie lichtbeelden zien), maar de pijlpunt bevindt zich ècht op een plek waar zowel de slagader als de ader naar de linkerarm passeren. Als de slagader geraakt is, moet Ötzi in een paar minuten ter plekke zijn overleden, ``in een fontein van Spritzblut'', aldus Egarter Vigl. Als de ader is geraakt, zal het veel langer hebben geduurd voordat hij aan interne bloedingen overleed. ``Hij kan onder in het dal zijn geraakt en zich vervolgens naar boven hebben gesleept.''

Op grond van de röntgenbeelden lijkt het onwaarschijnlijk dat de longen zijn geraakt, maar Egarter Vigl en Gostner vonden wel een fraai gat in het linkerschouderblad: mogelijk door de pijl veroorzaakt. ``Dat gat kan ook een fatale bloeding hebben veroorzaakt.'' Of dat gat (dat in het andere schouderblad ontbreekt) een echte wond is of een zeldzame afwijking, is op de foto's niet te zien. Andere sterftemogelijkheden zijn volgens Egarter nog een infectie of onderkoeling na verzwakking door de pijlwond. ``En rein theoretisch kan het ook nog zijn dat zijn dood in geen enkel verband staat met de pijl.''

smoking gun

Maar Egarter Vigl heeft wel een smoking gun voor de theorie dat de pijl Ötzi vlak voor zijn dood heeft getroffen. Op de linkerschouder vond hij een ``vers wondje, met nog een beetje bloed erin''. Twee centimeter kon de patholoog de wond in, toen stuitte hij op ijs. ``We hebben het nog niet in ontdooide toestand geprobeerd.'' Het wondje, het gat in het schouderblad en de pijlpunt bevinden zich zelfs op één lijn. ``Maar helaas zijn we er niet zeker van dat de pijlpunt zich nog op de originele plaats bevindt'', zegt Egarter Vigl, ``want de pijlschacht ontbreekt. Iemand heeft die eruit getrokken en daarbij moet de punt hebben bewogen.'' Volgend jaar hoopt Egarter Vigl een ``mini-sectie'' te verrichten.

De pijlpunt heeft een centraal thema in het IJsman-onderzoek getroffen. Want een duidelijke doodsoorzaak is nooit bevonden bij de ijsmummie. Theorieën waren er altijd genoeg. De belangrijkste theorie tot nu toe was van Horst Seidler, gepubliceerd in 1992 in Science: dood door onderkoeling en uitputting in de sneeuw. De belangrijkste aanwijzing was het dubbelgeklapte linkeroor van de man. Daarop had hij vlak voor zijn dood gelegen. Later was het lijk door de gletsjerbeweging licht gedraaid. Op het hooggelegen Tisenjoch ligt zo'n vriesdood erg voor de hand. Een curieuze aanwijzing dat de IJsman voor zijn dood zelf dekking heeft gezocht in de holte waar hij is gevonden, is het feit dat zijn boog en koperen bijl een meter of vier van zijn lichaam werden aangetroffen, netjes tegen en op een rots gelegd. Ötzi had zich duidelijk ter plekke geïnstalleerd.

Maar de vraag blijft waardóór hij zo verzwakt was dat hij vervolgens ter plekke stierf. Extreem slecht weer is een gemakkelijke maar ook onbewijsbare en problematische hypothese. Want waarom ging Ötzi de berg op met slecht weer op komst? Zijn uitrusting (zoals zijn warme met gras gevulde schoenen) wijst op goede bekendheid met het hooggebergte. Verdwaald was de IJsman waarschijnlijk ook niet: hij lag vlakbij een oude weg. Het Tisenjoch wordt al sinds mensenheugenis gebruikt als bergovergang door herders met hun kuddes als het naburige Niederjoch door sneeuw geblokkeerd is. Bij Ötzi's vindplaats zijn ook bewijzen van andere prehistorische passanten gevonden, zoals een bijlhandvat uit ca. 2.800 v. Chr. Veel onderzoekers achten het waarschijnlijk dat Ötzi zelf ook een herder was.

Evidente lichamelijke defecten zijn niet gevonden. Op röntgenfoto's van zijn hersenen werd wel al snel een vlek gezien die mogelijk wijst op een hersenbloeding. In Innsbruck is met een endoscoop een stukje van dat weefsel uitgenomen, maar dat bleek ongeschikt voor histologisch onderzoek. Deze kwestie is dus nog altijd open.

Van meer invloed op de theorievorming waren de vele gebroken ribben die Zur Nedden en Seidler op hun röntgenfoto's van de IJsman aantroffen. Samen met de gebroken pijlen en de onvoltooide boog gaven die breuken de Innsbrucker prehistoricus Konrad Spindler aanleiding voor zijn `Desaster-theorie'. Die theorie, waarvan hij duidelijk aangeeft dat het speculatie is, luidt als volgt. Ötzi zou op de vlucht zijn geweest, nadat hem een ramp was overkomen waarbij zijn uitrusting beschadigd werd en zijn ribben gebroken. Hij had nog amper de tijd om een nieuwe boog te maken en vluchtte weg via het Tisenjoch omdat hij die weg goed kende, als herder van een kudde. Alles speelde zich in de herfst af, want dat was de tijd dat het Tisenjoch dichtsneeuwt en Ötzi dus kon worden `ingevroren'. Maar wat was die ramp? Misschien waren de verhoudingen in zijn thuisdorp veranderd toen Ötzi terugkeerde met zijn kudde (machtstrijd en intrige!), misschien had hij een misdaad begaan en was hij uitgestoten, zo speculeert Spindler in zijn populaire boek Der Mann im Eis (Bertelsmann 1993, laatste herziene druk 1999). De meest waarschijnlijke speculatie acht Spindler dat het hele dorp van Ötzi werd aangevallen, omdat in de herfst de oogst zou zijn binnengehaald. 'De schuren vulden zich en daarmee raakte het dorp in een bijzonder gevaar', zo schrijft hij.

En inderdaad, er zijn genoeg aanwijzingen voor geweld in de late steentijd. Veel dorpen zijn aangelegd op goed te verdedigen plaatsen en in 1983 werd bij Heilbron (Zuid-Duitsland) zelfs een waar massagraf gevonden uit ca. 5500 voor Chr. (dus ruim 2000 jaar voor Ötzi). In een graf van drie bij anderhalve meter en anderhalve meter diep werden 34 skeletten gevonden, vaak in onnatuurlijke posities, zonder enige bijgaven en met duidelijke bijlhouwsporen. Op grond van de sekseverdeling en leeftijden gaat men ervan uit dat hier de uitgemoorde inwoners van een compleet dorp zijn neergesmeten. Zoiets zou ook best met het dorp van de IJsman kunnen zijn gebeurd, aldus Spindler.

Doordat Spindler lange tijd coördinator was van het onderzoek naar de IJsman en dankzij scherpe afspraken met de andere onderzoekers een feitelijke monopolie op de contacten met de pers bezat, was deze gedachte lang de standaardtheorie, die Spindler en zijn medewerkers lange tijd ook in vele lezingen en televisieoptredens uitdroegen.

Maar Spindlers wijd verbreide speculaties werden gaandeweg het onderzoek pijnlijk onderuitgehaald door de resultaten van het natuurwetenschappelijke analyse van de overblijfselen. Al in 1996 werd de theorie beargumenteerd dat de gebroken ribben zeer waarschijnlijk post mortem waren ontstaan, door de druk van het ijs op de mummie. En afgelopen jaar hebben Gostner en Egarter Vigl in Bozen vastgesteld dat het inderdaad gaat om postmortale `knikken' in de ribben, niet om breuken. Egarter Vigl: ``Dat onderzoek was de reden om de foto's te maken waarop we dus óók de pijlpunt aantroffen.'' Verder toonde de Innsbrucker paleobioloog Klaus Oeggl, in een presentatie ter gelegenheid van de overdracht van de mummie aan Bozen in 1998, aan dat Ötzi's laatste maaltijd in de lente moest zijn gegeten. In de darm van de ijsmummie bevonden zich namelijk pollen van de hopbeuk (Hopfenbuche cq. Ostrya carpinifolia), en die boom bloeit in de periode maart-juni. Ook toonde Oeggl aan dat de pijlen ter plekke, op de Tisenjoch moesten zijn gebroken. Exit dus de zware verwondingen van Ötzi en zijn in het dorp vernielde uitrusting en exit dus ook de in de herfst zo gevaarlijk goed gevulde graanschuren in zijn dorp.

De klap in 1998 kwam des te harder aan omdat Spindler zich tijdens de zorgvuldig voorbereide overdracht naar Bozen nogal grof had uitgelaten: volgens hem zouden de Zuid-Tirolers nooit in staat zijn de mummie goed te conserveren. In haar fascinerende overzicht van de politieke en onderzoeksperikelen rond Ötzi (The Iceman, Random House 2000) beschrijft de Amerikaanse journaliste Brenda Fowler hoe de voormalige onderzoeksleider Spindler op de conferentie waarop Oeggl zijn resultaten presenteerde, door de meeste van zijn collega's gemeden werd.

Spindler ontbrak op de conferentie vorige maand. ``Hij was niet uitgenodigd'', oppert de een. ``Hij houdt zich niet meer bezig met de IJsman'', denkt een ander. Maar zoals veel sprekers benadrukten, brengt de pijlpunt Spindlers `ramp'-theorie, ondanks de eerdere weerlegging, weer helemaal terug. ``We hebben nu echt weer een verhaal'', zegt Alexander Susanna, directeur van het Archeologiemuseum. Prehistoricus Walter Leitner uit Innsbruck was als naaste medewerker van Spindler wèl aanwezig op het congres. Hij ziet in de felle discussies over de doodsoorzaak en Spindlers `desaster'-theorie de aloude tegenstelling tussen de natuurwetenschappers die een onvoltooid verhaal prefereren boven speculatieve hypotheses, en de archeoloog en de historicus die gaten in een verhaal meestal wel opvullen. ``Van òns verwacht iedereen een totaalbeeld. En interpretatie is nu eenmaal honderd maal moeilijker dan het blote vaststellen van feiten.'' Zelf denkt Leitner dat Ötzi zich op het Tisenjoch bevond omdat hij daar ging offeren aan de goden. ``Zijn onbruikbare wapens, de onvoltooide boog en de onvoltooide en gebroken pijlen, wijzen daarop. Dat zijn klassieke offergaven.'' Tijdens dat offer is hij in de rug geschoten. Door een bekende, vermoedt Leitner. ``De schacht van de pijl, die nooit is gevonden, is volgens mij door de moordenaar uit de wond getrokken om niet herkend te worden als de moordenaar. Daarom is de IJsman ook niet beroofd van zijn kostbare bijl.''

Niet iedereen is overigens onder de indruk van de herlevende moordtheorieën. De archeoloog Renato Fasolo (Universiteit van Verona) merkte op dat in het grafveld van Spilamberta (ca. 2600 v. Chr.) veel skeletten zijn gevonden met een pijlpunt links in de borstkas, precies als Ötzi dus. ``Die pijlpunten maken duidelijk deel uit van een ritueel. Ik denk dat er bij de IJsman ook zoiets aan de hand is. Ik geloof niet in een gewelddadige dood'', aldus Fasolo. En in een koffiepauze zegt Klaus Oeggl desgevraagd: ``Er verandert niets aan de bestaande theorieën. We hebben nooit een doodsoorzaak gehad. Nu blijkt hij door een pijl te zijn getroffen, maar is dat de doodsoorzaak? Dat weten we nog niet. Ik ben natuurwetenschapper, ik wil bewijzen zien. De rest is speculatie.''