Lijfrente met hink-stapsprong

Een grote groep lijfrenteniers komt binnenkort voor de keuze te staan: wat te doen met het lijfrentekapitaal? Een oplossing volgens de hink-stapsprongmethode.

Gelokt door de fiscale aantrekkelijkheid omdat de premie of koopsom (= eenmalige premie) voor een lijfrenteverzekering aftrekbaar was voor de inkomstenbelasting of in de verwachting dat het pensioeninkomen wel eens te weinig zou kunnen zijn en aangevuld zou moeten worden hebben veel mensen in het verleden een lijfrenteverzekeringen gesloten. Zo'n verzekering kent twee fasen: eerst wordt volgens afspraak door een verzekeraar op een bepaald moment een kapitaal beschikbaar gesteld: ofwel als de verzekerde op een bepaalde datum in leven is ofwel bij overlijden voor dat tijdstip. In de polis wordt in een clausule vastgelegd dat – wanneer het kapitaal beschikbaar komt – dat kapitaal omgezet moet worden in lijfrente-uitkeringen. Komt een lijfrentekapitaal beschikbaar dan gaat de tweede fase in. Je spreekt met een verzekeraar af dat hij periodiek (per maand, kwartaal, half jaar of jaar) uitkeringen gaat doen onder de voorwaarde dat de verzekerde persoon op het moment van de uitkering leeft.

Tot zo'n tien jaar terug moesten lijfrenteverzekeringen vóór 1 januari van het volgende jaar betaald zijn om de premie nog in dat jaar fiscaal aftrekbaar te kunnen stellen. De looptijden van veel verzekeringen zijn vastgesteld in gehele jaren en daarom zijn november en december bij uitstek de maanden waarin vele mensen een lijfrentekapitaal beschikbaar krijgen. En wat moet je daar dan mee?

Eerst moet gekozen worden of het lijfrentekapitaal wel omgezet moet worden in lijfrente-uitkeringen. Die keuze geldt eigenlijk alleen voor verzekeringen die gesloten zijn voor 16 oktober 1990, waarvoor daarna nog premies zijn betaald, en lijfrenteverzekeringen die gesloten zijn voor 1 januari 1992 betaald met een eenmalige premie. Op 1 januari 1992 werden namelijk de fiscale regels voor lijfrenten veranderd.

Wie een lijfrentekapitaal in één keer wil ontvangen en niet in periodieke termijnen moet (ook) belasting betalen. Voor polissen van voor 1992 geldt in zo'n geval `slechts' progressieve belastingheffing van box 1. Dat lijkt ongunstig. Maar stel dat iemand ooit een keer zo'n verzekering aangegaan is en nu enkele tienduizenden guldens aan lijfrentekapitaal krijgt. Als het belastbaar inkomen – exclusief de lijfrente-uitkering – net boven 59.500 gulden uitkomt, dan zal van dat lijfrentekapitaal 42 procent naar de belastingdienst moeten worden gebracht. Wat overblijft is vrij besteedbaar. Zou gekozen worden voor omzetting van het lijfrentekapitaal in lijfrente-uitkeringen en de inkomsten zullen komende jaren nauwelijks wijzigen, dan moet ook over die lijfrente-uitkeringen 42 procent belasting worden voldaan. Fiscaal gezien kan het dan beter zijn om in één keer het lijfrentekapitaal binnen te harken dan in de vorm van periodieke uitkeringen. Want bij zo'n omzetting verdwijnt weer een deel van het lijfrentekapitaal aan kosten voor de verzekeraar (en adviseur). En na de omzetting bestaat er onzekerheid over hoeveel geld er terug komt; de lijfrente stopt immers bij overlijden.

Als bij verzekeringen van na 1992 lijfrentekapitaal niet in lijfrente-uitkeringen wordt omgezet zijn er dermate fiscale penalty's dat het in het algemeen niet aan te raden is. Lijfrente-uitkeringen accepteren is dan de enige mogelijkheid.

Na de hinkfase volgt de stap. Als het lijfrentekapitaal omgezet wordt in periodieke uitkeringen moet bedacht worden of die uitkeringen levenslang (dus tot overlijden van de verzekerde) dan wel tijdelijk moeten zijn. Levenslang lijkt het meest logisch, want wat is immers het verzekeringdoel van een lijfrente? Men verzekert zich ervan dat de verzekeraar uitkeringen doet hoe lang het lijf waarvan de uitkeringen afhankelijk zijn – ook zal leven. De lijfrentenier, die – als alternatief – ook een eigen vermogen opgesnoept zou kunnen hebben, lacht in zijn vuistje als hij ouder wordt dan het moment waarop zijn eigen pot op zou zijn geweest en de verzekeraar door moet gaan met het doen van uitkeringen. Dus een lijfrenteverzekering dekt het zogenoemde `lang-levenrisico'. Spreekt men met een verzekeraar af dat de lijfrente-uitkeringen maar tijdelijk hoeven te zijn (bijvoorbeeld maximaal vijf of tien jaar) dan speelt bij zo'n vastliggende periode dat `langer-leven-dan-verwacht-risico' geen rol. Men had net zo goed een reserve op een spaar- of beleggingsrekening kunnen consumeren.

Maar ja, iemand die jaren geleden al een lijfrenteverzekering heeft gesloten komt niet meer toe aan de vraag: of een lijfrenteverzekering of eigen vermogen vormen. Hij zou dus, als nu blijkt dat AOW en VUT of pensioenregeling levenslang voldoende geld opleveren en de lijfrenteverzekering het `lang-levenrisico' niet hoeft te dekken, voor een beperkte duur van uitkeringen kunnen kiezen.

Verder moet besloten worden of de uitkeringen afhankelijk zullen zijn van één lijf of meerdere lijven. Zo kan er bijvoorbeeld met de verzekeraar afgesproken worden dat hij uitkeringen doet zolang twee partners leven en daarmee doorgaat als een van die partners overlijdt. Vaak wordt dan voorgesteld om de uitkering te verlagen naar 70 procent van de oorspronkelijke uitkeringshoogte, maar dat hoeft niet per se. Een ander verlagingspercentage kan ook. Of helemaal geen verlaging.

De sprong gaat richting verzekeraar die de uitkeringen moet gaan doen. Dat kan dezelfde zijn als waar het kapitaal is opgebouwd, maar de meeste verzekeraars staan ook toe dat een andere verzekeringsmaatschappij de uitkeringen zal gaan doen. Een offerterondje langs verschillende verzekeraars loont.

Tenslotte de vraag of het een garantie- of een beleggingslijfrente moet gaan worden. Bij een garantielijfrente staat de hoogte van de periodieke uitkeringen vast. De actuaris (verzekeringswiskundige) van de verzekeringsmaatschappij rekent met een gemiddelde levensverwachting; degene binnen de groep verzekerden die langer leven dan verwacht krijgen hun uitkeringen voor een deel uit de lijfrentepot van de mensen die eerder dan verwacht overlijden. Dat is immers het principe van verzekeren. Verder verwacht hij een bepaald rendement te kunnen maken op het geld dat nog niet in lijfrenten is uitgekeerd. Omdat ook de actuaris de toekomst niet kan voorspellen en een uitkering garandeert houdt hij een veiligheidsmarge – ten behoeve van de verzekeraar – aan. Als later een hoger rendement haalbaar blijkt profiteert de klant daar niet van mee.

Als alternatief worden beleggingslijfrenten aangeboden. De lijfrentenier mag zelf kiezen waarin zijn geld belegd wordt. Verzekeraars en adviseurs schermen met hogere uitkeringen. Ze rekenen dan echter vaak met een aangenomen rendement dat soms meer dan het dubbele is van het rendement van de garantielijfrente. Maar papier is geduldig en schijn kan bedriegen. Want mochten de koersen na ingang van de beleggingslijfrente-uitkeringen ineenstorten, zoals bijvoorbeeld na 11 september, en het rendement tegenvallen dan ligt het risico op lagere uitkeringen volledig bij de klant zelf. De keus is aan de consument: zekerheid of een sprong in het ongewisse.

Beleggingslijfrenten zijn onzeker alternatief