Levensechte illegalen

joanne van der leun: looking for loopholes. processes of incorporation of illegal immigrants in the netherlands. 225 blz.

erasmus universiteit rotterdam, 11 oktober 2001. promotor prof.dr. g. engbersen.

Zo langzamerhand weten we erg veel van de legale immigranten in Nederland. Vooral de vier grote groepen allochtonen, Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen (bij elkaar bijna een miljoen mensen) zijn uitvoerig bestudeerd en beschreven. Voor de ruim 400.000 Joegoslaven, Egyptenaren, Ghanezen, Afghanen, Somaliërs, Irakezen en Iraniërs geldt dat al veel minder. De groepen zijn op zichzelf veel kleiner en men is ook meestal pas in de laatste tien jaar naar Nederland gekomen.

Helemaal niets bekend was er tot voor kort over de illegale migranten. Twee Rotterdamse proefschriften beginnen daar nu verandering in te brengen. Begin dit jaar promoveerde Richard Staring op een onderzoek naar de vestiging van illegale Turken in Nederland . Twee weken geleden liet Joanne van der Leun zien hoe de mazen in de wet ook in een overgereguleerd land als het onze toch veel vreemdelingen jarenlang ruimte laten voor een bestaan als `illegaal'.

Een leuk bestaan is het niet. Zeker sinds de invoering van de Koppelingswet drie jaar geleden `afkoppelingswet' zou overigens een betere benaming geweest zijn hebben illegalen het nog moeilijker gekregen dan ze het al hadden. Recht op een uitkering hadden ze ook voor die tijd al vrijwel nooit, maar nu zijn ze ook formeel beroofd van iedere mogelijkheid tot de verwerving van regulier werk, een huis, gezondheidszorg of een opleiding. Zelfs een inburgeringscursus zit er niet in. In de praktijk wordt de soep wel wat minder heet gegeten, want verblijfspapieren kunnen vervalst en verzekeringsbewijzen geleend of zelfs gehuurd worden. Wie echt ziek is, zal in de meeste gevallen toch op medische hulp kunnen rekenen en wie onderhuurt, heeft van een woningbouwvereniging meestal weinig te vrezen. Wie niet opvalt, uitkijkt met werken en steun krijgt van hier al legaal verblijvende familieleden heeft de beste kans om ongestoord hier te kunnen blijven.

Joanne van der Leun heeft voor haar onderzoek nog vrij kort geleden gepraat met politiemensen, docenten, hulpverleners en medewerkers van woningbouwcorporaties om te weten te komen hoe zij in hun werk rekening houden met de beperkingen van de Koppelingswet. Dat doet men wel, maar vaak toch wat op z'n Hollands: er wordt heel wat gedoogd en er is ook altijd veel compassie met de brave illegaal, die zijn kinderen een betere toekomst probeert te geven. Je voelt dat men zich snel en gemakkelijk met het belang van de vragende partij identificeert en ook geneigd is die steeds als een individueel geval te zien. Heel sympathiek, maar niet helemaal overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever, al heeft die het zelf ook behoorlijk moeilijk gehad met de besluitvorming over de Koppelingswet.

De cijfers die Joanne van der Leun presenteert laten zien dat de meeste illegalen inderdaad behoorlijk braaf zijn. Dat is ook wel te begrijpen, omdat de eerste opdracht voor een illegaal natuurlijk is uit de handen van de politie, niet alleen de Vreemdelingenpolitie, te blijven. De Rotterdamse politie houdt ieder jaar enkele duizenden illegalen aan, in bijna de helft van de gevallen omdat ze niet over de juiste papieren beschikken om hier te werken en wonen. Een deel van de in Rotterdam jarenlang buitengewoon hinderlijk aanwezige `drugrunners' bestaat uit hier illegaal verblijvende Marokkaanse jongens die zich graag als Algerijn voordoen. Dat maakt ze vrijwel onuitwijsbaar en dat is uiteraard voor de politie weer erg frustrerend.

In feite is het aantal illegalen dat echt en blijvend kan worden uitgezet erg klein. Wat dat betreft is er niet veel verschil met de asielzoekers die geen verblijfsstatus krijgen. Dat geldt voor ongeveer de helft, maar slechts een klein deel van hen wordt ook werkelijk het land uitgezet. Niemand weet waar de anderen blijven.

Een maand na de afwijzing van het asielverzoek wordt 75 procent niet meer op het laatstbekende adres aangetroffen, maar dat zegt niet zoveel. Onder de illegalen bevinden zich wel ex-asielzoekers, maar veel kunnen het er niet zijn. De totale populatie illegalen is nauwelijks groter dan het jaarlijkse aantal asielzoekers. Van der Leun schat het aantal illegalen midden jaren negentig op ongeveer 40.000 voor heel Nederland.

In tegenstelling tot wat Nederlanders zelf denken, is Nederland geen bijzonder aantrekkelijk land om als illegaal een bestaan op te bouwen. Vrijwel alle illegalen, voor het grootste deel jonge ongehuwde mannen, komen hier om te werken en voor zichzelf een beter bestaan op te bouwen. De Nederlandse arbeidsmarkt is echter heel sterk gereguleerd en voor de meeste illegalen is werken alleen zwart of grijs mogelijk. Er zijn dan niet zoveel sectoren waar je terecht kunt. De glastuinbouw in het Westland is een berucht voorbeeld. Het ministerie van Sociale Zaken maakt er dagelijks jacht op, maar tegen meer dan 1000 beweeglijke koppelbazen is haast niet op te boksen. Ook in de horeca komt `backstage' nog heel wat illegale arbeid voor, net zoals in de bouw. De `sweatshops', de kleine confectieateliers in de grote steden, zijn vrijwel verdwenen en de straathandel is voor veel illegalen te riskant. Helpen in de huishouding is in de praktijk beperkt tot de toch al kleine groep vrouwen. Voor heel wat illegalen blijft er niet veel anders over dan in de eigen etnische kring voor familie en vrienden te werken, vaak voor niet veel meer dan kost en inwoning. De Koppelingswet heeft de positie van de illegaal nog marginaler gemaakt dan hij al was en daarmee de verleiding groter om het geld te gaan zoeken in de drugshandel en de prostitutie.

Joanne van der Leun heeft haar onderzoek gedaan in het kader van de door haar promotor Godfried Engbersen opgezette reeks van studies naar de onderkant van de grote stad. Voor dit onderzoek zijn zo'n 170 illegalen uitvoerig geïnterviewd. Dat is geen geringe prestatie. Je moet ze zien te vinden, je moet ze bereid vinden met je te praten en dan moet je ook nog met ze kunnen praten in een gemeenschappelijke taal. Het resultaat, sociologisch fris gewassen, à la mode geknipt en glad geschoren, is heel levensecht, al vind ik het wel erg jammer dat de interviews met de illegalen inmiddels alweer zo oud zijn. Ze zijn afgenomen tussen 1993 en 1995, en sindsdien is er alweer veel veranderd.

Je zou niet alleen interviews met illegalen anno 2000 willen hebben, maar ook willen weten hoe het met die mannen en vrouwen van zoveel jaar eerder verder is gegaan. Op een legale verblijfsstatus hoefden ze nauwelijks te rekenen, want in de afgelopen tien jaar hebben niet meer dan 2000 illegalen amnestie gekregen. Het is een beetje demagogisch, maar daarom des te aardiger om nog even te vermelden dat in 1999 bijna 21.000 mensen van buiten de Europese Unie toestemming kregen in Nederland te werken. Met hun gemiddeld hoge opleiding waren ze hier van harte welkom.