Kenniseconomie

Op de opiniepagina van 18 oktober beweert Hans Chang dat een recent CPB-document ,,[...]de verbijsterende uitspraak (bevat) dat investeren in het kennisgenererende vermogen van Nederland maar in beperkte mate nodig is''. Deze uitspraak is in geen enkele CPB-publicatie te lezen. In ons rapport staat dat Nederland relatief veel uitgeeft aan wetenschappelijk onderzoek (in procenten van het bbp scoren alleen Finland en Zweden hoger). Waaruit wij concluderen dat verhoging van deze uitgaven niet voor de hand ligt.

Chang noemt onderzoek van de Oeso waaruit blijkt dat publiek onderzoek een groot effect heeft op de productiviteit. Hieruit volgt echter niet dat Nederland meer moet uitgeven aan wetenschappelijk onderzoek. De conclusies van de Oeso gaan over het Oeso-gemiddelde, en zijn niet direct van toepassing op een land dat al relatief veel uitgeeft aan wetenschap. Bovendien komt ander Oeso-onderzoek tot de tegenovergestelde conclusie (Bassanini e.a., Economic Growth: the role of policies and institutions, januari 2001). Dit onderzoek vindt een negatieve samenhang tussen productiviteitsgroei en uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek: hoe hoger de uitgaven, des te lager de productiviteit. Een mogelijke oorzaak is dat wetenschappelijk onderzoek beslag legt op schaars onderzoekstalent, wat ten koste kan gaan van bedrijfs-R&D.

Chang noemt het verontrustend dat het CPB politieke en maatschappelijke signalen niet oppikt. Wij pikken deze signalen wel degelijk op, maar zien het als onze taak signalen te toetsen aan de beschikbare empirie. En dat levert soms afwijkende conclusies op. Zo zetten wij kanttekeningen bij de gedachte dat het kennisgenererende vermogen vooral zou zijn gediend met grote additionele overheidsuitgaven. Gerichte investeringen in combinatie met een betere institutionele inrichting van het onderzoek liggen meer in de rede. Daarmee doen wij niets af aan het grote belang dat de factor kennis heeft voor onze economie.