IS DIT MISSCHIEN EEN STUK DAKPAN?

In je eentje op een akker met een tasje in je hand, dan loop je voor gek. Maar met z'n tweeën zoeken naar archeologische resten, dat is leuk.

Rachel Teuwen en Inge Geelen, beiden 13 jaar, lopen met een slakkengang over een omgeploegde akker. Hun ogen zijn strak op de donkerbruine aarde gericht. In de verte klinkt het geluid van een tractor. ``Hé, ligt daar goud in de grond?'' roept een bejaarde fietser vanaf het weggetje dat grenst aan de akker. ``Dat ben ik ook aan het zoeken.'' Af en toe vangen de ogen van Rachel die van Inge, dan giechelen ze. Inge bukt. Ze pakt wat van de grond, veegt de aarde eraf en vraagt: ``Is dit misschien een stuk dakpan?'' Rachel kijkt, kijkt nog eens, maar haalt haar schouders op. ``Het kan evengoed een baksteen zijn.''

Rachel en Inge volgen dit trimester archeologie op school. Ze zitten in 2 vwo van de Philips van Horne Scholengemeenschap in Weert, de enige middelbare school in Nederland waar archeologie een vaste plaats heeft in het onderwijs. Alle vwo'ers krijgen er in de onderbouw een trimester archeologie, dat deel uitmaakt van het vak antieke cultuur. Een beetje ongewoon is het wel, beseffen de leerlingen zelf ook. ``Als ik ze vertel wat er van hen verwacht wordt, dat ze bijvoorbeeld naar het gemeentehuis moeten en het kadaster, dat ze op een boer af moeten stappen met een grote blaffende hond op z'n terrein, dan zie ik ze denken: wat gaan we nóu allemaal doen'', zegt Gerrit Hasendonckx, leraar geschiedenis en archeologie aan de Philips van Horne Scholengemeenschap.

Maar elk jaar zijn er weer tien tot vijftien leerlingen zo enthousiast dat ze in de bovenbouw lid worden van de archeologiewerkgroep Philips van Horne. Dat kan vanaf de vierde klas.

De werkgroep bestaat inmiddels 25 jaar en heeft maar liefst 145 actieve leden, bestaande uit leerlingen en oud-leerlingen van de Weertse scholengemeenschap. Een kleine honderd leden verzamelen zich nog altijd elke zomer in België om mee te werken aan een grote opgraving. En dat is serieus werk, verzekert Hasendonckx. Meestal gaat het om wetenschappelijke opgravingen van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, de Vlaamse tegenhanger van de Nederlandse Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). ``Wij hebben onze eigen materialen en ons eigen kamp, onze eigen fotografen, onze eigen tekenaars. Binnen vierentwintig uur kunnen wij meedraaien.'' Hasendonckx is bevriend met de directeur van het Vlaamse archeologie-instituut. Zelf is hij ook Belg, hij studeerde geschiedenis met een flinke portie archeologie aan de universiteit van Gent.

Archeologie verdient een vaste plaats in het middelbaar onderwijs, vindt Hasendonckx. En niet alleen omdat het belangrijk is te weten hoe onze voorouders leefden. Volgens hem past het ook goed in het geschiedenisonderwijs van nu. Neem de waslijst aan vaardigheden die scholieren moeten aanleren. ``Een van die vaardigheden is: interpreteren. Er is geen mooier vak dat zo met interpretatie bezig is als archeologie. Een archeoloog moet met een minimum aan aanwijzingen en bronnen proberen te komen tot een interpretatie van wat zich op een bepaalde plek heeft afgespeeld.'' Of neem de eis dat de scholier van nu in aanraking moet komen met regionale instellingen. ``Bij archeologie doe je dat als vanzelf. Vondsten staan in lokale musea tentoongesteld. En voor de schop de grond in gaat, vraag je standaard gegevens op over het terrein bij het kadaster, het gemeentearchief, de provinciale archeoloog enzovoort.''

Archeologie maakt nu negen jaar deel uit van het onderwijs aan de Philips Van Horne Scholengemeenschap. De invoering stuitte op nogal wat praktische problemen. Zo bestaan er geen Nederlandstalige schoolboeken over archeologie. ``Ik ben te rade gegaan bij de ROB. Zij hebben toen gezorgd voor een student archeologie en een student fotografie die me konden helpen bij het samenstellen van lesmateriaal. Met z'n drieën hebben we twaalf lessen samengesteld met praktische opdrachten.'' Uitgangspunt was een bestaand archeologiehandboek voor tieners. ``We hebben de tekst van dat boek helemaal herschreven en de fotograaf heeft een en ander geïllustreerd met materiaal uit het fotoarchief van de ROB.''

In les vier gaan leerlingen zelf op zoek naar oude resten, ze doen in archeologisch jargon een veldverkenning. Ze moeten daarvoor een geschikte akker zien te vinden. Rachel en Inge zijn er makkelijk van afgekomen. Ze hoefden geen vreemde boer aan te klampen, want de vader van Inge heeft akkerland. Inge heeft geen flauw idee of er iets interessants op ligt. Ze heeft het haar vader niet gevraagd. ``Volgens mij kijkt hij daar helemaal niet naar. Het maakt het hem niet veel uit wat erop ligt, als er maar planten op groeien.''

Maar aan de keukentafel van zijn boerderij in het dorpje Hunsel laat Inge's vader trots een vuistbijl uit het stenen tijdperk zien. ``Ik zag meteen dat het geen gewone steen was.'' Hij vond de grijze, gladde steen een kleine 25 jaar geleden. Helaas is het bij die vondst gebleven. In feite is de vuistbijl het enige wat hij op zijn land vond in de 45 jaar dat hij de boerderij bewoont. ``Als je de oude granaten tenminste niet meerekent.''

En Rachel was al niet optimistisch. ``We vinden vast niks hoor'', waarschuwde ze een klein uur voordat ze de donkerbruine aardklonten opstapte. ``Misschien een glasscherf maar echt geen oude dingen.'' Gelukkig zijn ze met z'n tweeën. In plaats van dat ze elk één akker aflopen, doen ze er samen twee. ``Ik had geen zin om in m'n eentje te lopen'', verklaart Rachel. ``Ik vind dat je dan een beetje voor gek loopt: zo in je eentje op een akker met een tasje in je hand.''

Ze hebben de opdracht om alles wat ook maar een beetje interessant lijkt, te verzamelen. Hasendonckx bekijkt op school wel wat het waard is. ``Ik kan in één oogopslag zien of het bingo is of niet'', zegt hij. Voor de lokale verenigingen van amateur-archeologen zijn de lessen van Hasendonckx goud waard. ``We hebben doorgaans 100 tot 120 tweedeklassers. Er worden hier dus elk jaar 100 tot 120 akkers afgelopen. En elk jaar blijken zeker twee akkers archeologisch interessant.''

Helaas zijn de akkers van Rachel en Inge dat niet. Zeggen ze tenminste zelf als ze na tweeëneenhalf uur neerploffen. Maar alletwee vonden ze de speurtocht leuker dan ze hadden verwacht. ``Ik had nooit gedacht dat we zoveel zouden vinden'', zegt Rachel. ``Ik heb meer dan twintig dingen gevonden. Ook een groenig tegeltje dat misschien iets bijzonders is.'' Ze vindt het eigenlijk wel spannend om te zoeken naar voorwerpen die `best wel eens heel oud kunnen zijn'. ``Wat ik alleen vervelend vind is dat je op het laatst zo'n pijn in je nek krijgt.''