Duisternis

Het wordt zo stilaan donker in de polder. Heel donker. Alles wat prestige had, dondert in elkaar of wordt in verdenking gesteld. KPN, PSV en Feyenoord, het Nederlands elftal, Endemol, de burgemeester van Leeuwarden, GroenLinks, Peper en Boonstra, Tineke Verburg, wat overblijft van grootse tijden zijn residuen van een doffe glans. Straks moeten we nog gaan spreken van het maanlandschapmodel.

Zelfs het fatsoen is weg.

Lees er deze krant maar op na. Wat zegt Anton Geesink, de olympische reus? ,,Het NOC*NSF is een illegale organisatie.'' Een ademstoot verder en je zit bij een criminele organisatie. De sportkoepel schijnt te hebben gerotzooid met de statuten, maar dat doet er verder niet toe. De crème van de natie mag van geen illegaliteit willen weten, thuis niet, op het werk niet, in café en disco niet. We hebben het tenslotte over de hofhouding van onze kroonprins en over de nestwarmte van Erica Terpstra.

Dat het NOC*NSF zich als een staat in de staat meende te kunnen gedragen, heb ik tijdens menige Olympische Spelen mogen observeren. Nergens in Nederland werd de terreur van rang en stand zo strak gehouden als in deze polderbaronie. Zelfs Ria Lubbers – toch de wentelbaarheid zelve – kwam er niet doorheen. Ik heb, in tempore non suspecto, toen Wouter Huibregtsen nog de scepter zwaaide, wel eens kwade gedachten gehad over de kunst van de vermomming die je ook bij para-militaire organisaties aantreft.

Toen kwam Hans Blankert.

Het NOC*NSF werd meer van de mens. Blosjes op de wangen, af en toe een zenuwtic van verlegenheid, een licht gestotter tijdens het plechtige spreken. In Sydney zag ik zelfs sportbestuurders die zich met iets te veel democratie hadden uitgedost: te pilserig, te nachtbrakerig, te kakofonisch in jubel en verdriet, te klomperig van présence. Meer Fröger dan Inge de Bruijn, ook dat. Van Hans Blankert wist ik het zeker: liever de zelfontploffing dan de illegaliteit.

Nee dus.

Als we Anton Geesink mogen geloven – en mijn geloof in dit roestvrij monument benadert de aanbidding – is het NOC*NSF een illegale club die zich niet wil plooien naar de voorschriften van het IOC. Papendal blijft dus onverminderd een verzameling ijdeltuiten die nog eerder het risico zullen trotseren dat Nederlandse atleten van de Olympische Spelen worden geweerd dan statutair te buigen naar het wereldbeeld van de Belg Jacques Rogge.

Oorlog in de Benelux, waarom ook niet – het is tenslotte overal oorlog.

Om Peter Koelewijn na te zingen: als ik God was, zou ik graag willen weten waar de oude heer Geesink de kracht vandaan haalt om het in zijn ogen onfatsoenlijke liberalisme van het NOC*NSF te vuur en te zwaard te blijven bestrijden. Hij gaat maar door, nu zelfs met kunstknieën. Ik heb altijd gedacht dat de genadeloze strijd tussen Geesink en Huibregtsen een achtergrond had van wat dan met een eufemisme heet: incompatibilité d'humeur. Nu blijkt dat het Geesink niet om een persoonlijke vete maar om principes te doen is. Om olympische principes wel te verstaan.

Het is een aandoenlijke Aufklärung. Op een ogenblik dat er in Nederland mensen rondlopen die het Nederlands elftal alsnog met een wildcard op het WK-voetbal in Japan en Korea binnen willen smokkelen, voert de Prinzipienreiter Anton Geesink een statutaire strijd met zijn quasi genetische vrienden van het NOC*NSF. Geesink is genadeloos in zijn orthodoxie, en dat is prachtig. En stichtend: je hoeft dus geen Talibaan te zijn om een geloof of een principe te verbinden met bloed aan de paal.

Anton vecht alleen.

Waarom hoor ik nou Willem-Alexander of Erica Terpstra of Hein Verbruggen niet. Zij zijn toch ook verheven in de olympische adelstand. Juist, zij zijn het olympische franje en spreken alleen in het godgeklaagde niemandsland van protocollaire balletvoorstellingen. Zij hebben geen verleden en geen idealen. Zij buigen mee met iedere winnaar, als riet in de wind. Eer? Schei toch uit. Consensus! Harmonie! Hypocrisie! Desnoods een tango met de duivel! Ik hoor het Willem-Alexander al zeggen: geluk is altijd illegaal, mijnheer.

Waarop Erica met de volheid van haar schater schettert: ,,Daar drinken we op; samen uit, samen thuis''

Hans Blankert bloost en heft het glas.