Dipdapdepdopdopdop

Twee soorten mensen zijn er: zij die langzaam gek worden van een druppende kraan, een rammelende fiets of een klok die stelselmatig voorloopt en zij die daar subiet mee leren leven. Een barst in de bril, een kast die niet dicht wil of een la die niet open kan, zij zien het als een natuurlijk gegeven dat de dode dingen zomaar een eigen karakter geeft.

Zij weten dat het elf uur is als de klok twaalf slaat en dat de afstandsbediening het alleen doet als je er eerst mee op tafel slaat. Dat de WC pas doorspoelt als je keihard aan de trekker trekt, dat er een stoel is waar je niet op moet gaan zitten en dat de kat nooit droogvoer mag.

Het AW-herfstreces werd doorgebracht in een huis met een keuken met een kraan die niet goed dicht wilde. De akoestisch doordacht vormgegeven roestvrijstalen wasbak maakte het vallend water tot in bed hoorbaar en toch heeft het de stemming nauwelijks gedrukt (de kotsende kat was erger). De beste manier om met zo'n euvel te leren leven is je er even helemaal in te verdiepen, om als het ware deel van het geheim te worden.

De kraan in kwestie was de koude kraan van een Vaillant-geiser die zo te zien nog voor de Maagdenhuisbezetting was geïnstalleerd. En het eerste dat bij nader onderzoek opviel aan het druppen was dat het niet constant was maar altijd gaandeweg minder werd. Was het druptempo direct na het dichtdraaien van de kraan 38 druppels per halve minuut, dan liep dat in de loop van een uur langzaam maar gestaag terug naar 22. Bij een tweede telling daalde het van 46 naar 30. Een verklaring daarvoor is niet gevonden. Misschien speelde het aanhangend water in de kunstig gebogen verchroomde tuit een rol, misschien trad er elke keer een zekere `zetting' op het leertje van de kraan. Een temperatuureffect was het niet want de geiser wilde niet branden.

Vandaag gaat het om het geluid dat het druppen maakte in een bakje water dat onder de tuit was geplaatst om het lawaai enigszins te beperken. Onontkoombaar handhaafde zich daarin hetzelfde ritme, maar de klank was natuurlijk heel anders. En belangrijker: de klank bleek opeens heel variabel. Er waren druppels die `dap' zeiden en andere die meer `dep' deden of zelfs, maar dan altijd wat zachter: `dip'. Enfin, het hele scala van dup, dop, dap en dep naar dip. (Het is niet helemaal zeker of dup lager van toon is dan dop). Het ging van dipdipdapdepdopdopdop, enzovoort, zonder dat enig patroon te ontdekken viel.

Zo leert men het druppen liefhebben. Wat in hemelsnaam bewerkstelligt dat de ene druppel dip zegt en de ander dop? Bijna tien jaar geleden is hier ook al eens kort stilgestaan bij het geluid van vallende druppels. Toen verklaarde een Twentse technicus dat regendruppels die in water vallen alleen geluid maken als ze erin slagen wat lucht mee te sleuren bij het doorbreken van het wateroppervlak. Dus als ze een belletje maken.

Vandaagdedag is er ook internet en stelt men moeiteloos vast dat deze theorie, die al bij de oude Minnaert bekend was, nog steeds wordt gesteund. En zelfs belangrijke toepassing vindt. De theorie is ook wel enigszins te verifiëren, want de belletjes zijn vaak goed te zien. (Anderzijds is het ontbreken van belletjes weer moeilijker vast te stellen.) Destijds was het AW-onderzoek niet verder gekomen dan de constatering dat de druppels uit een maatpipet (gemiddeld druppelvolume ongeveer 0,07 ml) kennelijk geen belletjes maakten en die uit de toen ter beschikking staande kraan (met 0,15 ml) des te beter.

Deze maal was er een pipet met druppels van 0,06 ml en bleek de gemiddelde grootte van de Vaillantdruppels maar liefst rond de 0,24 ml te liggen. De pipetdruppels zwegen, de Vaillantdruppels hadden een mooie klank, al was er wel eens een enkele blindganger. In dit stadium bleef het onderzoek weer even hangen tot besloten werd na te gaan of de pipetdruppels niet toch wat geluid wilden maken als ze van groter hoogte vallen mochten. En jawel bij een valhoogte van een meter of meer ontstond een mooi hoog maar zacht `dip' of zelfs `diep'. Daarna lag het voor de hand om het bakje onder de geiser behoedzaam op te tillen en langzaam dichter naar de lekkende Vaillanttuit te brengen. Met nieuw succes, de toonhoogte van de druppels liep langzaam op. Tien centimeter voor de tuitmond verdween het geluid helemaal.

Het lijkt helemaal te kloppen, want het is aannemelijk dat zowel de grootte als de snelheid van de druppel beslissend is voor de grootte van de luchtbelletjes die ze kunnen maken. Net zo aannemelijk leek het dat de oppervlaktespanning daarop van invloed zou zijn en er was dan ook veel tevredenheid toen alle dip en dep pardoes in dop en dup overging nadat een druppeltje Dreft in het bakje was gebracht.

Onder normale omstandigheden zullen de klankverschillen tussen de Vaillantdruppels vooral het gevolg zijn van verschillen in grootte. Het is immers niet waarschijnlijk dat een druppel van 0,30 ml na een reis van hooguit dertig centimeter een heel veel hogere snelheid heeft dan een van 0,15 ml. Daarmee is het probleem teruggebracht tot de vraag waaròm de druppels uit de geiser zo voortdurend veranderen van grootte (terwijl dat met de pipet niet zo is). Misschien is het een uitdrukking van de wisselende druk in het leidingnet, misschien speelt het aanhangend water in de tuit een rol en anders kan het nog het vreemde gedrag van dat leertje zijn. Het lijkt niet moeilijk daarover uitsluitsel te krijgen.

Nog even terug naar de notitie dat de belletjes-met-klank theorie tegenwoordig belangrijke toepassing vindt. Meer daarover leest men op internet in het aardige artikel `Listening to raindrops' van Jeffrey A. Nystuen. Het blijkt dat oceanografen op afgelegen plaatsen in de oceaan onderwatermicrofoons installeren die geheel autonoom en continu bijhouden wanneer en hoe het daar regent. Elke regenbui wordt geanalyseerd aan de hand van de toontjes die de druppels opwekken. Het plaatje `The underwater sound of a thunderstorm' laat in één oogopslag zien wat hier al eens eerder werd verondersteld: dat een goeie, zware bui begint met grote druppels en eindigt met gemiezer.