De staat moet kosmopolitisch worden

De terroristische aanslagen op Amerika luiden een nieuw tijdperk van internationale samenwerking in. De blik zal van nationale belangen moeten verschuiven naar het oplossen van internationale vraagstukken. Daartoe zullen natiestaten zoals we die nu kennen, moeten plaatsmaken voor staten die mondiaal gericht zijn en diversiteit binnen hun grenzen niet schuwen, vindt Ulrich Beck.

Het mondiaal opererende terrorisme heeft een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de wereld als risicomaatschappij. Daarbij moet wel een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de aanslag als zodanig en de dreiging van terrorisme die als gevolg daarvan over alle continenten is uitgewaaierd. Politiek gezien is uiteindelijk niet het risico zélf doorslaggevend, maar de gewaarwording ervan. What men fear to be real is real in its consequences – angst schept een eigen werkelijkheid. Het kapitalisme veronderstelt optimisme, die door de alom gevoelde terroristische dreiging de grond in wordt geboord. Angst kan de toch al wankele wereldeconomie in een crisis storten.

Wie de wereld ervaart als de uitvalsbasis van terreur, zal niet meer tot handelen in staat zijn. Dat is de eerste val die de terroristen hebben gezet. De tweede val is de volgende: het besef van terroristisch gevaar en de politieke reactie daarop, roepen een behoefte aan veiligheid op die ten koste gaat van vrijheid en democratie – precies die waarden waaraan de westerse wereld zijn suprematie ontleent. Eenmaal gesteld voor de keuze tussen vrijheid of overleven, is het al te laat. Het merendeel van de mensen zal dan niet voor vrijheid kiezen.

De grootste bedreiging schuilt dus niet in het feitelijke gevaar, maar in het verlies van vertrouwen dat erdoor wordt veroorzaakt. Fantasieën over mogelijke gevaren en noodzakelijke tegenmaatregelen verlammen de moderne samenleving. Zwartgallig cynisme is een remedie. Seveso, Tsjernobyl, het gat in de ozonlaag, besmet voedsel, de gekkekoeienziekte. Hoe vaak is de wereld al ten onder gegaan terwijl wij overleefden? De kernvraag sinds de aanslagen in Amerika is dan ook hoeveel vrijheid en hoeveel veiligheid wij nodig hebben om te overleven – en dus ook hoeveel onveiligheid.

Steeds weer wordt er discussie gevoerd over de vraag hoe de wereld tot een eenheid kan worden gesmeed. Het experimentele antwoord luidde: door een aanval van Mars. Met de recente aanslagen bleek Mars opeens op aarde te liggen. Ten minste voor de duur van een historisch ogenblik hebben de strijdende kampen nu de handen ineengeslagen in hun strijd tegen de gemeenschappelijke vijand.

Juist door het feit dat de terroristische dreiging alle staatsgrenzen overschrijdt, vormt de strijd tegen het mondiale terrorisme een uitdaging voor de wereldpolitiek. Er worden coalities gesmeed tussen kampen die normaal tegenover elkaar staan, regionale conflicten worden ingedamd en de kaarten van de wereldpolitiek worden opnieuw geschud.

Het is verbazingwekkend hoe snel en radicaal de prioriteiten van de Amerikaanse buitenlandse politiek zijn gewijzigd. Bepaalde tot voor kort het raketschild nog de agenda van het politieke denken en handelen in Washington, nu heeft vrijwel niemand het er nog over. Ook bij de Amerikanen lijkt het besef door te dringen dat zelfs een perfect wapenschild deze aanslag niet had verhinderd. Men realiseert zich dus dat de binnenlandse veiligheid van de Verenigde Staten niet gegarandeerd kan worden met een technologische soloactie, maar alleen door een wereldwijde coalitie te sluiten.

De rivaliteit met Peking en Moskou wordt in ieder geval tijdelijk op de spaarbrander gezet. Amerika beseft dat voor de bescherming van de eigen binnenlandse veiligheid, die het met de aanval op Afghanistan wil afdwingen, meer nodig is dan een Amerikaans-Russische samenwerking. Israël en de Palestijnen worden onder druk gezet om werkelijk een wapenstilstand te sluiten. Alleen op die manier kan deelname van de Arabische en islamitische staten veilig worden gesteld.

Ook de Europese Unie heeft zich in de gemeenschappelijke strijd tegen het terrorisme nieuwe perspectieven verschaft. Plotseling maken de tegenstellingen tussen rivaliserende Europese naties plaats voor gemeenschappelijke belangen binnen Europa, maar ook tussen Europeanen en Amerikanen. Het zijn slechte tijden voor Euro-sceptici. En het is een uitstekend moment voor Groot-Brittannië om zich bij de euro-wereld aan te sluiten. Al kan de saamhorigheid natuurlijk weer bezwijken onder druk van de in Afghanistan begonnen oorlogshandelingen.

Hoe is politiek handelen in dit tijdperk van globalisering mogelijk? Mijn antwoord luidt: doordat het gevaar nu als mondiale dreiging wordt gezien, is het oude systeem van nationale en internationale politiek op losse schroeven komen te staan en kan een nieuw systeem worden ingericht. Wel moet onderscheid gemaakt worden tussen de gevaren van het gevaar en de mogelijkheden die het biedt. De onopgemerkte kansen voor de wereld moeten gezien worden als politieke bijwerkingen van de gevaren voor lijf en leden.

In die zin zorgt de angst ervoor dat in de internationale politiek een bijna revolutionaire situatie ontstaat, die op allerlei manieren kan worden uitgebuit. De Amerikaanse buitenlandse politiek zou zijn isolationisme kunnen opgeven – dat zou gevolgen hebben voor het indammen van nationale rivaliteiten en regionale conflicten. Maar door de politiek van de angst kunnen ook `rechtvaardige oorlogen' worden gelegitimeerd die hordes nieuwe zelfmoordterroristen zullen voortbrengen, inperking van vrijheden, protectionisme en vreemdelingenhaat.

De terroristische aanslagen maken de staat sterker, maar ondermijnen tegelijkertijd twee tot nu toe dominante ideeën: die van het nationalisme en de neoliberalisme. Het neoliberalisme en het idee van de vrije markteconomie worden gezien als sleutel voor de toekomst. Zij hebben in de afgelopen twee decennia een allesoverheersende macht kunnen ontplooien.

Ik weet het: het is voorbarig om nu al van het einde van het neoliberalisme te spreken. Toch geeft het risico van terreur op mondiale schaal een voorproefje van de conflicten waarin de wereld als gevolg van de globalisering verstrikt raakt. Bovendien verliest het idee om politiek en staat door economie te vervangen, in tijden van dramatische wereldconflicten snel zijn overtuigingskracht. Op de vraag of de 40 miljard dollar die de Amerikaanse regering van het Congres verlangde voor de oorlog tegen terrorisme en de wederopbouw niet in strijd is met de neoliberale economische politiek die de regering Bush bij zijn aantreden onderschreef, antwoordde een woordvoerder laconiek: ,,De nationale veiligheid heeft voorrang.'

Nationale veiligheid en dat is de tweede les van de terroristische aanslag is niet langer nationale veiligheid. Natuurlijk bestonden bondgenootschappen al langer, maar er is een duidelijk verschil met de huidige internationale samenwerking. Coalities zijn niet meer alleen nodig om de veiligheid buiten de grenzen te waarborgen, maar ook voor de binnenlandse veiligheid. Ons wereldbeeld werd bepaald door de fundamentele grenzen tussen binnen- en buitenland, politie en leger, misdaad en oorlog, oorlog en vrede. Die zijn nu ongeldig verklaard en moeten opnieuw worden afgebakend en vastgelegd. Daarmee is de nationale staat machteloos geworden.

Buitenlands beleid was vroeger een kwestie van keuze, niet van noodzaak. Nu is het een kwestie van èn-èn-beleid geworden, waarbij buitenlandse- en binnenlandse politiek, nationale veiligheid en internationale samenwerking nauw met elkaar zijn verweven. De enig mogelijke oplosssing voor de dreiging van mondiaal terrorisme (maar ook voor de klimaatcatastrofe, het migratieprobleem, het gif in onze voeding en de georganiseerde misdaad), waarmee de nationale veiligheid is gewaarborgd, ligt in transnationale samenwerking.

We hebben te maken met een paradoxaal grondbeginsel: staten moeten zich omwille van het nationale belang `denationaliseren' en `transnationaliseren' – zij moeten hun soevereiniteit prijsgeven om in de mondiaal geworden wereld hun eigen binnenlandse problemen te kunnen overwinnen. Zo is na de aanslagen in New York en Washington de Duitse binnenlandse politiek een belangrijk onderdeel geworden van de Amerikaanse binnenlandse veiligheidspolitiek, en dus ook van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Evenzeer is de Duitse politiek nu verweven met de binnenlandse, buitenlandse en defensiepolitiek van Frankrijk, Pakistan, Groot-Brittannië, Rusland en veel andere staten.

Is Duitsland in oorlog? Max Weber ging ervan uit dat de beslissing over oorlog en vrede tot de wezenskenmerken van een staat behoort. Ik ben een burger van München. Wie beslist er als vertegenwoordiger van alle inwoners van München over oorlog en vrede? De gemeenteraad van München? De regering van Beieren? De Duitse Bondsdag? De bondskanselier? Het Europese Parlement? De Europese Commissie? De NAVO? President Bush? De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties? Formeel mag dat allemaal zijn geregeld, in werkelijkheid is het juist allemaal erg onduidelijk geworden. Het nationale `oerbesluit' over oorlog en vrede is niet langer de autonome zaak van afzonderlijke staten. Wat voor Max Weber een onlosmakelijke eenheid vormde soevereiniteit en staat heeft zich al lang van elkaar losgemaakt. Dat betekent dat de handelingsbekwaamheid van de staten de facto onafhankelijk van de tot nu toe geldende ideeën over soevereiniteit en autonomie moet worden begrepen en opnieuw politiek moet worden ingevuld.

Met de wereldomvattende terroristische dreiging begint een nieuw tijdperk van transnationale en mulilaterale samenwerking. De dreiging leidt niet direct tot vernieuwing van de nationale staat, maar tot de ontdekking en ontwikkeling van wat ik `coöperatieve transnationale staten' noem. De nationaal-gerichte blik vormt in een periode van globalisering een belemmering voor de ontwikkeling van de transnationale gedachte van politiek en staat. Dit wordt nu ervaren en uitgespeld aan de hand van actuele geopolitieke vragen over de binnenlandse veiligheid van de grenzeloze voormalige nationale staten, maar het geldt ook voor vragen met betrekking tot de dreigende klimaatcatastrofe, het armoedevraagstuk of de mensenrechten.

Twee ideaalypen van transnationale samenwerkingsstaten tekenen zich af: `transnationale controlestaten' en `kosmopolitische staten'. Controlestaten dreigen zich met de macht van de nieuwe coalitie te ontwikkelen tot vestingstaten, waarin meer waarde wordt gehecht aan veiligheid en militaire macht dan aan vrijheid en democratie. Nu al wordt openlijk betoogd dat het de door vrede en welvaart verwende westerse maatschappijen ontbreekt aan het noodzakelijke, rechtlijnige vriend- en vijandbeeld. Zij zouden ook niet bereid zijn de prioriteit die zij aan de mensenrechten toekennnen, op te offeren voor noodzakelijke maatregelen om terreur het hoofd te bieden. Alom wordt geprobeerd een westerse vesting te construeren en in de komende jaren zal dat streven ongetwijfeld toenemen. Winnaars in de globale economie blijven hun heil van het neoliberalisme verwachten, voor de verliezers resten het terrorisme en de angst voor vreemdelingen en in kleine porties wordt het gif van het racisme toegediend.

In de toekomst moeten we ons nadrukkelijk de vraag stellen waarvóór we vechten bij het bestrijden van het transnationale terrorisme. Het antwoord is: een kosmopolitisch statensysteem dat rust op de erkenning van het anderszijn van anderen.

Nationale staten vormen een bedreiging voor de grote verscheidenheid binnen een land, voor de verschillende loyaliteiten, voor de flows en fluids, fenomenen die in het tijdperk van globalisering onvermijdelijk zijn. In kosmopolitische staten is het juist van wezenlijk belang het zelfbeschikkingrecht te verbinden aan verantwoordelijkheid voor anderen, voor vreemdelingen binnen en buiten de nationale grenzen.

Het is niet de bedoeling het zelfbeschikkingsrecht te negeren of helemaal te verwerpen integendeel. Het moet juist worden bevrijd van de eenzijdige, nationale blik en vanuit een kosmopolitsche houding worden verbonden met de wereldbelangen. Kosmopolitische staten bestrijden niet alleen het terrorisme, maar richten zich ook op de oorzaken van terreur in de wereld. Zij putten politieke overtuigingskracht en mogelijkheden tot vernieuwing uit de oplossing van wereldproblemen, die vanuit een solistisch nationaal optreden onoplosbaar lijken.

Kosmopolitische staten zijn gebaseerd op het principe dat een staat niet nationaal hoeft te zijn. Net zoals de Westfaalse vrede een eind maakte aan de heilige burgeroorlogen in de zeventiende eeuw door de scheiding van kerk en staat, zou een scheiding van staat en natie dat is de these – een oplossing kunnen bieden voor de nationale wereld(burger)oorlogen van de twintigste eeuw. Net zoals alleen de areligieuze staat het naast elkaar bestaan van verschillende religies mogelijk maakt, zouden de kosmopolitische staten het naast elkaar bestaan van een nationale en religieuze identiteit moeten waarborgen op basis van grondwettelijke tolerantie.

Men kan en moet het experiment van het politieke Europa opnieuw bekijken, als een experiment in de vorming van een kosmopolitische staat. Een kosmopolitisch Europa, dat zijn politieke kracht haalt uit de wereldwijde strijd tegen het terrorisme, maar ook uit het aanvaarden en beteugelen van de Europese diversiteit binnen de naties, inclusief haar sympathieke bekrompenheid - dat kan beslist een realistische utopie zijn of worden.

Ulrich Beck is hoogleraar sociologie in München en Londen.