De overheid moet religie buiten de deur houden

De indruk wordt gewekt dat religie opeens weer belangrijk is, louter omdat de verdachten van de aanslagen op 11 september islamiet zijn. Maar die indruk is onjuist, want hij miskent het seculiere karakter van veel samenlevingen, meent August Hans den Boef.

Het geschenk van de Kinderboekenweek 2001, Ik ben Polleke, hoor! is in verschillende opzichten boeiend. Auteur Guus Kuijer confronteert zijn bijna dertienjarige schepping met een aantal personages uit haar omgeving die een andere culturele, met name religieuze achtergrond hebben. Polleke zelf heeft geen behoefte aan een eigen `cultuur', want dan moet je rare dingen geloven en boos worden op mensen die dat niet doen. De kloof tussen Polleke en de anderen is het geloof. In tegenstelling tot hen gelooft ze niet in iets, niet in een god, niet in een hiernamaals. Daarom voelt ze zich soms eenzaam. Aan het slot vraagt zij zich benauwd af: ,,Ben ik dan een `aparte'?''

Dat is Polleke niet, integendeel. Als Polleke straks naar het studiehuis gaat, vindt ze in het Statistisch Jaarboek 2001 dat zij net als ik en veel lezers van deze krant tot de 41 procent van de bevolking behoort die geen godsdienst heeft gekozen. Dat is de grootste groep in de bewuste categorie. De katholieke kerk van haar vriendinnetje Consuelo volgt als tweede met maar 31 procent, een percentage waaraan die akelige ouderling in het dorp van Pollekes grootmoeder met al zijn protestantse broeders en zusters zelfs niet kan tippen. En nog niet de hélft daarvan behoort tot de godsdienst van haar Marokkaanse vriendje Mimoen.

Als Polleke ook leert om zulke cijfers te interpreteren, kan ze uitrekenen hoe dat zit tegen de tijd dat ze is afgestudeerd. Hoogstwaarschijnlijk behoort zij dan tot de absolute, niet-godsdienstige, meerderheid van de Nederlandse bevolking. Zij kan gerust zijn.

Anno 2001 is ruim 41 procent niet-religieuzen in Nederland ook al een indrukwekkend percentage. Toch herkennen wij sinds 11 september het gevoel van Polleke: ben ik een aparte? Wij tellen opeens niet mee tussen degenen die deze dagen hun handelingen plegen te ondersteunen met een beroep op de Heren `Allah', `God' of `JHVH'. Zowel voor de media als voor de overheid zijn wij plotseling buitenstaanders, hoewel we zo'n groot deel van de bevolking uitmaken.

Over en weer verzekeren regeringen en religieuze leiders elkaar dat er geen sprake is van een oorlog tussen de islam en het christendom. Westerse regeringsleiders doen zelfs positieve uitspraken over de islam. Het is trouwens tekenend dat het omgekeerde nauwelijks voorkomt. Maar in een seculiere staat zouden overheden zich niet over de inhoud van religie moeten uitspreken – zoals zij dat ook niet over de inhoud van kunst moeten doen.

Ten onrechte wordt de indruk gewekt dat religie opeens weer belangrijk is, louter omdat de verdachten van de aanslagen op 11 september islamiet zijn. Maar neem de stad New York. Die kun je toch onmogelijk een exponent noemen van de cultuur van premier Bush en zijn christelijke kiezers met hun God Bless America? Ik houd niet alleen van New York omdat in deze stad `verschillende culturen naast elkaar leven', maar vooral omdat de stad – om voor één keer de terminologie van de christenen te lenen – een beetje een Sodom en Gomorra is, waarin alles gebeurt wat de drie Heren en hun collega's verboden hebben. Die Heren vormen in de cultuur van deze stad immers geen serieuze factor meer. Paradoxaal genoeg is New York daardoor, ondanks het feit dat de stad zelf getroffen is, ook de minst wraakzuchtige stad in Amerika.

Juist dit Sodom en Gomorra was het doelwit van de islamitische terroristen op 11 september. Niet het `christendom' of het `kapitalisme' of the American way of life. Een samenleving als die in New York, waarin de Heren als serieuze factor zijn verdwenen, dat is voor radicale islamieten bij uitstek het symbool voor het verderfelijke westen. Amerikaanse tv-dominees hebben dat duidelijker ingezien dan andere opinieleiders. Duidelijker ook dan Samuel Huntington. Want er bestaat geen botsing tussen de christelijke en andere religieuze culturen. Een door religie gedomineerde wereld botst met seculiere samenlevingen, waarin godsdienst is teruggedrongen tot de privé-sfeer.

Zo'n land is Nederland. Het paarse kabinet slaagde erin, nog niet zo lang geleden, het homohuwelijk en een wettelijke regeling van de euthanasie door het parlement te laten aannemen. Een historische mijlpaal, niet zozeer omdat het om de eerste wetten van dit type ter wereld gaat, maar vooral omdat de bekende bezwaren van religieuze organisaties bij deze gelegenheid niet zijn gehonoreerd. Belangrijker: omdat expliciet de claim van godsdienstigen is afgewezen dat zíj over dit soort kwesties op grond van hun sacrale geschriften en hun tradities beter kunnen oordelen dan degenen die daarop geen beroep kunnen doen.

Door de gebeurtenissen van 11 september lijkt het kabinet deze zelfbewuste houding te zijn kwijtgeraakt gezien zijn houding tegenover Nederlandse islamieten. Zeker als het kabinet vindt dat de islam geen factor is in de aanslagen van 11 september – wat overigens een merkwaardig standpunt is – zouden Kok cum suis het bestaan van seculiere allochtone organisaties moeten honoreren.

De overheid laat ook een kans liggen om ondubbelzinnig te laten zien dat zij werkelijk alle Nederlanders vertegenwoordigt en niet alleen, zoals vroeger, de christenen. Zij had onlangs de internationale en formele kritiek op de SGP kunnen honoreren. Pikant is dat kritiek op de ideologie van de SGP ook in Nederland de laatste jaren veelvuldig valt te horen, ook in kringen rond paars. Waarbij wel moet worden opgemerkt dat die kritiek louter dient als een argument om degenen die verontrust zijn over islamitisch fundamentalisme in Nederland de mond te snoeren. Er bestaat immers ook autochtoon fundamentalisme? Maar als er internationale druk wordt uitgeoefend om dit autochtone fundamentalisme aan te pakken, reageert de Nederlandse overheid met de mededeling dat religie een louter interne zaak is.

Het paarse kabinet wekt deze dagen de indruk dat we in een seculiere staat uit de late negentiende eeuw leven. Destijds een verworvenheid, waarin kerk en staat waren gescheiden en waarin vrijheid van godsdienst was bedoeld om burgers van verschillende religieuze pluimage vredig naast elkaar te laten wonen.

De moderne seculiere staat is heel anders. Daarin leven weliswaar nog steeds diverse godsdienstige groeperingen naast elkaar, maar het belangrijkste kenmerk daarvan is de grote onkerkelijkheid. In zo'n staat kan (een) religie nooit meer een dominante factor vormen in het openbare leven. Het christendom, dat eeuwenlang de Nederlandse cultuur domineerde, heeft onder invloed van de moderne secularisatie de afgelopen decennia een flink aantal stappen terug moeten doen. Ondanks een enkele oprisping vanuit partijen als het CDA en het overleven van kleine lokale haarden van orthodoxie, lijkt die ontwikkeling onomkeerbaar.

Helaas staan de ambities van veel moslimorganisaties haaks op deze ontwikkeling. Dat heeft minder te maken met een bepaalde interpretatie van de koran, zoals SGP'ers een andere interpretatie van hun bijbel propageren dan de gereformeerde ethicus Kuitert. Het komt door het feit dat de islam in feite neerkomt op een serie ostentatieve regels voor het dagelijks leven. Vandaar de fixatie op uiterlijke kenmerken als hoofddoeken en kuise kleding die de gematigde variant van vrouwen eist, of de hoofddeksels, baarden en jurken die de zwaardere broeders aan mannen voorschrijven.

De Nederlandse overheid zou vooral aan islamitische organisaties dienen uit te leggen dat in een moderne seculiere staat als Nederland in het openbare leven, in de openbare ruimte, geen plaats is voor religie anders dan binnen de beperkingen van de wetten van een democratische rechtsstaat. Dat islamieten daarom in de beslotenheid van de privé-sfeer en de moskee en de eigen religieuze organen mogen zeggen wat ze willen, maar niet verbaasd moeten zijn als anderen hun ideeën hartgrondig afwijzen. Sterker: dat die anderen, zoals Salman Rushdie en V.S. Naipaul, maar ook Hans Janmaat en Filip de Winter door dezelfde vrijheid van meningsuiting worden beschermd.

Een nieuw paars kabinet zou een en ander ook wettelijk moeten verankeren. De Nederlandse wetgeving en juridische praktijk zijn namelijk nog niet volledig afgestemd op de moderne seculiere staat.

Hoe kan in een multiculturele samenleving de protestantse zoon van het staatshoofd niet zonder meer kan trouwen met iemand die katholiek is? Laat het religieuze deel van het huwelijk over aan de besloten sfeer van familie en kennissen en regel dat ook wettelijk.

Wij kunnen volgens de grondwet een dubbele straf krijgen als we een religieuze bijeenkomst verstoren of religieuze figuren aanvallen. Pas dat ook aan. Hef ook de uitzonderingspositie op, die religieuze organisaties vrijstelt van identificatieplicht bij financiële transacties, waardoor bijvoorbeeld het witwassen van geld wordt vergemakkelijkt.

Haal de verwijzing naar God van de tweede lichting Nederlandse euromunten af. Evenals de impliciete bede aan het eind van de troonrede.

Maar het allerbelangrijkste is: straal het zelfbewustzijn uit van een overheid die beseft dat het grootste deel van haar electoraat bestaat uit mensen zoals Polleke, veel lezers van deze krant en ik. Mensen die naar gelovigen kijken als naar een verschijnsel dat soms interessant en folkloristisch is, soms afstotend en bedreigend. Maar nooit meer superieur.

August Hans den Boef is verbonden aan het Instituut voor Media en Informatie Management van de Hogeschool van Amsterdam.