De orde van de dag

Onze oorlog: de 35-jarige Rotterdammer R.B. is deze week veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, omdat hij voor de deur van zijn chef op kantoor een envelop met de inhoud van een paar zakjes melkpoeder had achtergelaten. De chef had de verdachte envelop meegenomen naar het politiekantoor en daar was meteen groot alarm geslagen. De man had zich helemaal moeten uitkleden; pas uren later kon worden vastgesteld dat er melkpoeder in de envelop zat. Niks kantoorhumor, luidde de beschuldiging tijdens de snelrechtzaak, maatschappelijke ontwrichting! De Rotterdammer is onmiddellijk op non-actief gesteld.

Zes poederzaken komen deze weken nog voor de rechter. Het zal meer van hetzelfde worden: wezelachtige mannen, weggelopen uit Debiteuren Crediteuren, die tussen twee gezochte moppen over Bin Laden door de sfeer op kantoor wilden verhogen door een geintje uit te halen met de creamer bij het koffiezetapparaat. Dat Nederland inmiddels in de hoogste staat van paraatheid verkeerde omdat er een nieuwe wereldoorlog aan de gang was, bleek in Ridderkerk en Mijdrecht en Schiedam nog niet helemaal doorgedrongen. Wisten zij veel, hun dagelijkse leven zag er immers nog precies hetzelfde uit.

Het onze ook al weer bijna. Maatschappelijke ontwrichting, we mochten het willen. De oorlogsroes waarin Nederland een paar weken lang verkeerde, is bezig snel op te trekken; het wachten is alleen nog op de kater. Even voelden we ons opgetild naar het wereldtoneel, waar grote woorden gesproken werden en grote daden in het verschiet lagen. Even zag men zichzelf een rol spelen in een strijd tussen beschavingen. Columnisten en gelegenheidsfilosofen zetten een hoge borst op en bogen zich over het wereldgebeuren alsof het zich allemaal in onze achtertuin afspeelde. Journalisten die zich tot dusver bezighielden met de brandveiligheid van een café in Volendam en een gebrekkig rampenplan in Enschede, waanden zich ineens strategen op het schaakbord van de wereld. Omgekeerd kon onbeperkt aan schaalvergroting worden gedaan: twintig Marokkaanse jongen met een vlag in Ede moesten vooral gezien worden in het licht van een wereldwijde cataclysmische jihad. Even hoefde niemand de grote greep te schuwen: als Nederland al niet rechtstreeks bij gevechtshandelingen betrokken zou raken, dan was het in ieder geval een belangrijk doelwit. Eindelijk ging het niet meer over de cijfers achter de komma, de vader van Máxima of de toekomst van het CDA. Heel even hoefde Nederland Nederland niet meer te zijn.

Die oorlogsstemming duurde adembenemend kort; inmiddels lijkt alles al weer verdacht veel op het oude. Terwijl de Verenigde Staten en hun trouwste bondgenoot Groot-Brittannië tussen neus en lippen door verklaren dat ze zelf ook niet precies weten waartoe de bombardementen in Afghanistan moeten leiden, en dat het ook nog eens hoogst onzeker is of Osama bin Laden ooit nog gevonden, om zeep geholpen of zelfs maar berecht zal worden, begint Nederland weer akelig op zichzelf te lijken. New York en Kabul worden van de voorpagina's verdrongen door Leeuwarden, waar zich de zoveelste crisis in het openbaar bestuur voltrekt, met een hele dure doofpot en een chronisch blunderende burgemeester, oorspronkelijk afkomstig van de sociale academie en auteur van de autobiografie Teveel vrouw. Terwijl professor Cliteur voor wie het maar horen wilde de onwrikbare superioriteit van de westerse beschaving benadrukte, bleek de chaos bij de Nederlandse Spoorwegen alleen maar nog groter geworden – nog meer technische onbeholpenheid, geen trein meer op tijd, en veel minder reizigers. De top van het Nederlandse bedrijfsleven blijkt geen enkel benul meer van de markt te hebben, alleen nog belangstelling voor het eigen loonstrookje. Ook het zinloos geweld is weer terug van weggeweest: je kunt geen krant openslaan of er staat een foto in van slappe bosjes bloemen in de regen en kaarsjesbrandende mensen. Op de televisie wordt nu ook al de maker van het hoofd van het meisje van Nulde meerdere keren geïnterviewd en opnieuw kun je avond aan avond op verschillende zenders zien hoe gewone Nederlanders zich vierentwintig uur per dag hun ogen uit hun kop vervelen. Onze eigen nieuwe wereldleider heet Pim Fortuyn.

In Groot-Brittannië toonde een adviseuse van de regering Blair zich te weinig vrouw en verzond op de dag van de aanslagen een memo met de boodschap dat dit bij uitstek de gelegenheid was om slecht nieuws naar buiten te brengen. In Nederland bleken zulke diabolische initiatieven niet nodig; het was de collectieve wil die het slechte nieuws ongemerkt liet passeren. Er was immers een oorlog aan de gang, een oorlog waaraan wij meededen, zo niet daadwerkelijk, dan toch zeker in de geest.

Van die directe betrokkenheid is nu niets meer over. Over het schimmenspel in Afghanistan valt weinig met zekerheid te zeggen, de oorlog zelf wordt vakkundig onzichtbaar gehouden en de Nederlandse bemoeienis blijft beperkt tot het kijken naar CNN. Ook met de oorlog op eigen bodem valt het danig mee. Alle miltvuur-paniek valt terug te voeren op leukige kantoormannetjes die te vaak naar Boobytrap hebben gekeken.

We hadden het ook kunnen weten: terroristen zoeken nationale symbolen voor hun aanslagen en Nederland is in de wereld helemaal nergens het symbool van. Alleen van drugs en seks; met het eerste hebben extreme fundamentalisten geen moeite en wat het tweede betreft, ze kunnen moeilijk de Casa Rosso opblazen. Nederland valt dus niet alleen niet aan, het land zal ook niet aangevallen worden, daar is het eenvoudig te onbelangrijk voor. Als het al oorlog is, dan is het in ieder geval niet onze oorlog. De Amerikanen hebben ons niet nodig – en de terroristen ook niet. Gelukkig maar, want tot nu toe heeft bij iedere kleine Hollandse catastrofe elk rampenplan en elke gemeentelijke voorzorgsmaatregel gefaald.

Nu het bedwelmende denken op wereldschaal, de ferme strijdkreten en hartstochtelijk beleden nationalisme alweer op z'n retour zijn, wordt het weer tijd voor schaalverkleining. Je zou willen dat de komende ontnuchtering gepaard zal gaan met een groeiend pragmatisme, een nuchtere aanpak van het gevoel van onmacht en malaise dat zich de afgelopen jaren in de Nederlandse psyche heeft genesteld. Ik vrees het ergste: uit de loze verbale daadkracht in onze gezamenlijke oorlog tegen het terrorisme, het gretige verlangen naar deelname aan een groots en meeslepend wereldspektakel, het onbekommerd koketteren met abstracte beschavingsidealen, blijkt niets anders dan een hardnekkige onwil om terug te keren naar waar het meeste werk te verrichten valt: de orde van de dag.