COMMUNICATIE-BÈTA'S

De meerderheid van de studenten in de exacte vakken vindt emplooi buiten de wetenschap. De specialisatie tot communicatie-deskundige speelt hierop in.

KUNNEN BÈTA'S communiceren? Een vaak geuite klacht van radio- en tv-makers die een exacte wetenschapper vragen hun werk voor de microfoon uit te leggen is dat ze nauwelijks oog hebben voor de doelgroep, zich veel te veel verliezen in details en uitgesproken saai overkomen. In één adem door valt dan te beluisteren dat in de Angelsaksische wereld bèta's wél in staat zijn een helder, levendig en toegankelijk verhaal op te dissen. Zet een Amerikaan voor de camera en hij vraagt of je een sound bite wilt en hoe lang die moet duren.

De komst van communicatie-afstudeervarianten binnen de bèta-faculteiten moet hierin verandering brengen. Deze zullen vanaf 2002 gestalte krijgen, toevallig tegelijk met de invoering van de bachelor-masterstructuur, en vloeien voort uit het in 1998 tussen het ministerie van OC&W en de klassieke universiteiten afgesloten bèta-convenant. In ruil voor een studieduur van vijf jaar in plaats van vier, zo luidde de afspraak, zouden de bèta-opleidingen zich vernieuwen en verbreden, waarbij en passant het afstudeerrendement omhoog moest naar wel 70 procent. Inmiddels zijn ook de Technische Universiteiten toegetreden. Overeengekomen is dat bèta's drie afstudeervarianten krijgen: onderzoek, bedrijfsleven en overheid (science based business), en een combinatie van educatie (opleiding tot leraar) en commmunicatie. Opleidingen, zo is de nieuwe filosofie, moeten niet aanbodgestuurd zijn maar vraaggestuurd, en naast kennis dient er plaats te zijn voor vorming.

Om te voorkomen dat iedereen in het land het wiel gaat uitvinden hield de Vrije Universiteit in Amsterdam vorige week vrijdag een studiedag onder de titel `Van bèta tot communicatie-specialist'. Initiatiefnemer was dr. Jaap Willems, van huis uit bioloog en sinds de jaren zeventig aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en aan de VU betrokken bij cursussen `populariseren' en `wetenschapsjournalistiek'. Willems: ``Landelijk bestaan er nu ruim twintig communicatie-cursussen en wat sterk opvalt is dat ze vooral biologen trekken. Vroeger kon je de slechte arbeidsmarktsituatie voor biologen als verklaring opvoeren, maar dat gaat nu niet op. Ik denk dat die grote belangstelling is terug te voeren op het feit dat veel maatschappelijke kwesties naar biologie smaken. Denk aan gentechnologie, gekkekoeienziekte, varkenspest en biologische oorlogvoering.''

Bij het evalueren van zijn cursussen merkte Willems dat studenten in de eerste plaats schrijftrainingen op prijs stellen. Bij het inrichten van de nieuwe bèta-communicatievariant moet, zo meent hij, niet te veel aan die voorkeur toegegeven worden. ``Het moet geen vluchtroute worden voor studenten die het gedraai aan knoppen in de laboratoria niet langer zien zitten'', zegt Willems. ``Communicatie is méér dan schrijfvaardigheidstraining en studenten zijn niet de enigen die de norm stellen. Het gaat om academisch onderwijs, niet om een of andere hogere beroepsopleiding. Dus moet er ruim aandacht zijn voor vorming, voor het bredere kader, voor leerpsychologie en andere theoretische vakken. Dat moet het fundament van de communicatie-variant zijn. Liever dan stages, die in de praktijk een hoog vaardigheidsgehalte hebben, zie ik in zo'n opleiding een sleutelpositie weggelegd voor de verplichte scriptie. Dan ben je tenminste academisch bezig.''

Willems kreeg bijval van Jeff Thomas, verbonden aan de Britse Open University. Thomas coördineert het zojuist in het leven geroepen European Network of Science Communication Teachers (ENSCOT), waarin Groot-Brittannië, Spanje, Ierland, Frankrijk en Duitsland participeren. In de module die op dit moment ontwikkeld wordt draait het, aldus Thomas, niet om ``PR-zekerheden'' maar om onzekerheden, waarbij met de gevestigde bètawetenschappers het gevecht moet worden aangegaan om binnen het curriculum voldoende ruimte te krijgen voor zaken als historisch perspectief, de aard van de wetenschap, objectiviteit en werkelijkheid, sociologie en filosofie. From deficit to dialogue, zo vatte de Brit de missie van ENSCOT samen.

Een aparte positie in de wereld der bèta-communicatoren bekleedt Cees van Woerkom, sinds 1989 hoogleraar Communicatie en Innovatie Studies aan de Universiteit Wageningen. Van Woerkom: ``Tot 1980 vonden we in Wageningen dat communicatie-onderwijs vooral in het teken moest staan van het overdragen van technologische kennis. Het onwetende publiek moest worden bijgepraat, dan kwam het wel goed. Daar zijn we van genezen. In zulke communicatie wordt helemaal niets overgebracht. Niet het verspreiden van kennis moet centraal staan maar de interactie met de maatschappij. Je moet de sociale, politieke, economische en culturele context erbij betrekken, die bepaalt het gebruik van technologie. Maak studenten in je communicatieopleiding streetwise, leer ze over zoiets als de herinrichting van de landbouw vooraf, en dus niet achteraf, debatten te organiseren tussen boeren, burgers en professoren. Ik volg die interactieve aanpak in mijn Wageningse groep nu een jaar of tien en de belangstelling bij studenten is groot.''

Is het wenselijk en mogelijk de communicatie- en educatievariant met elkaar te integreren? Hierover blijken de universiteiten van mening te verschillen. Waar de een zegt dat het om dezelfde basisvaardigheden en kennis gaat, is de ander juist bevreesd dat de educatie-opleiding de communicatiespecialist in spe afschrikt. De aanstaande wetenschapsjournalist, zo is de gedachte, zou wel eens hard kunnen weghollen zodra hij merkt met leraren van doen te krijgen. Op de studiedag aan de VU speelde Science Theater Pandemania een vrolijke sketch met dit thema.

In Leiden ziet men bij natuurkunde weinig in volledige ontkoppeling. Drs. Bart Vrijdaghs, aan het Da Vinci College part-time docent natuurkunde en betrokken bij het opzetten van de universitaire communicatie en educatie-variant, vindt het in het belang van de student dat zijn perspectieven zo breed mogelijk blijven. ``Daarom lopen de programma's die we aan het opstellen zijn in het begin parallel, waarbij we het helemaal niet vreemd vinden wanneer iemand met belangstelling voor journalistiek een korte stage op een school loopt. Het zou best kunnen dat hij onderwijs in een later stadium van zijn carrière leuker vindt en dan hoeft hij niet van voren af aan te beginnen. Communicatie en educatie delen het nodige aan basisvaardigheden en kennis, ze hebben elkaar nodig en kunnen van elkaar leren.''