Blauwtje gelopen

Pimpernelblauwtjes zijn gevoelig voor tegenslag. Een netwerk van populaties zou hun levensvatbaarheid verbeteren.

De herintroductie van pimpernelblauwtjes in Brabant is niet mislukt, maar ook niet echt geslaagd. Elf jaar later zijn de vlinders niet verdwenen, maar ze hebben hun leefgebied niet of nauwelijks uitgebreid. Dat concludeert de van oorsprong Duitse bioloog Irma Wynhoff van de Vlinderstichting uit Wageningen. Zij was de motor achter het herintroductieproject in het natuurgebied de Moerputten ten zuidwesten van Den Bosch en volgde het lot van de vlinders op de voet. Op 5 oktober promoveerde ze in Wageningen op haar proefschrift `At home on foreign meadows'.

Blauwtjes zijn sierlijke kleine vlindertjes die van oorsprong thuishoren in matig voedselarme, vochtige hooilanden langs rivieren, beken en meertjes. Pimpernelblauwtjes ontlenen hun naam aan hun waardplant, de grote pimpernel, waarop ze hun eitjes afzetten. In de eerste helft van de vorige eeuw kwamen pimpernelblauwtjes in Brabant en Limburg nog algemeen voor, daarna zijn ze uitgestorven.

Het bijzondere aan blauwtjes is dat hun lot nauw verweven is met dat van knoopmieren. De rups brengt zijn jeugd door in een mierennest en voedt zich met het mierenbroed. In Europa komen vijf soorten blauwtjes van het geslacht Maculinea voor, die elk met een eigen mierensoort samenleven. Zo is het pimpernelblauwtje (Maculinea teleius), aangewezen op de ruwknoopmier Myrmica scabrinodis en het donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous) op de rode steekmier Myrmica rubris.

De eerste paar weken leven de jonge rupsen vegetarisch, maar daarna laten ze zich van de waardplant afvallen. Als ze geluk hebben worden ze door knoopmieren gevonden en meegesleept naar het mierennest. Aangezien de knoopmieren meestal niet verder dan zo'n twee meter van hun nest komen, heeft de rups alleen kans om de winter te overleven als hij uit het ei kruipt dicht bij een groot, gezond mierennest van de juiste knoopmiersoort.

Eenmaal in het ondergrondse mierennest worden de rupsen volledig genegeerd. Ze verblijven er zo'n tien maanden, ze vinden er bescherming tegen kou en natuurlijke vijanden, ze vervellen en verpoppen zich en voeden zich stilletjes met mierenlarven.

Als de jonge vlinder uit haar pop kruipt, breekt een kritiek moment aan. De plotselinge aanwezigheid van deze vreemdeling in het nest kan bij de mieren veel agressie oproepen. Daarom verpoppen de vlinders zich meestal 's morgens heel vroeg, als de werksters nog niet actief zijn. Als ze niet razendsnel het nest verlaten, worden ze gedood. Zijn er meer rupsen in het nest, dan verpoppen die zich veiligheidshalve niet op dezelfde dag, maar één voor één. De vlinders zoeken dicht in de buurt weer een grote pimpernelplant om eitjes af te zetten. Het pimpernelblauwtje zoekt de jongste, nog groene bloemhoofdjes op, die maar 5 tot 7 dagen in het juiste stadium zijn, en ze leggen maar een eitje per plant. Het donker pimpernelblauwtje kiest de wat rijpere, rode bloemhoofdjes uit en zet meestal twee tot drie eitjes per plant af. Ze blijken dat niet op de gok te doen, maar speciaal op waardplanten dicht in de buurt van mierennesten.

Overal in Europa zijn blauwtjes schaars geworden door modernisering van de landbouw en verlies van leefgebied. Ze vallen onder de Europese Habitatrichtlijn voor bedreigde soorten. In Nederland zijn ze in de jaren zeventig definitief verdwenen. In Oost-Europa echter zijn blauwtjes nog bij duizenden te vinden. Daarom nam de Vlinderstichting eind jaren tachtig het initiatief tot een herintroductieproject van de uitgestorven vlinders, mede geïnspireerd door een zeer succesvol herintroductieproject van blauwtjes in Engeland. De Nederlandse actie viel onder het Beschermingsplan Dagvlinders van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Onderzoek wees uit dat er maar één plek in Nederland geschikt was voor herintroductie, namelijk de Moerputten bij 's Hertogenbosch. Alleen daar kwamen voldoende pimpernelplanten èn knoopmieren voor.

Bergafwaarts

Op een warme zomeravond, eind juli 1990, liet de Vlinderstichting een groep pimpernelblauwtjes los die Irma Wynhoff in Polen had gevangen. Het ging om 33 mannetjes en 53 vrouwtjes van het pimpernelblauwtje en om 22 mannetjes en 48 vrouwtjes van het groot pimpernelblauwtje. Elf jaar later heeft het pimpernelblauwtje, dat als zeer honkvast bekend staat, nog steeds maar één populatie in het zelfde weiland waarin de soort elf jaar geleden werd losgelaten. De eerste drie jaar namen de aantallen snel toe, daarna ging het bergafwaarts. In 1996 was de stand zelfs terug bij af en nu worden jaarlijks zo'n 300 tot 400 exemplaren van het pimpernelblauwtje geteld. Het donker pimpernelblauwtje, dat iets mobieler is, komt op het oorspronkelijke hooiland niet meer voor, maar heeft drie kleine subpopulaties in de omgeving gevestigd, in wat ruigere vegetaties langs wegen en spoorbermen, tot op vijf kilometer van de oorspronkelijke plek. Deze soort ging juist de eerste jaren achteruit, maakte daarna een opleving door en nu lopen de aantallen weer terug.

Doorslaggevend is volgens Irma Wynhoff een stabiel, vlindervriendelijk terreinbeheer. Van half juni tot begin september mag er niet worden gemaaid. Tijdens haar onderzoek werd tot tweemaal toe een naburig terreintje, waar zich juist een nieuwe kolonie van het pimpernelblauwtje had gevestigd, per vergissing door Staatsbosbeheer uitgemaaid. Daarna verbleven de vlinders alleen nog maar zich aan het oorspronkelijke hooiland. Volgens de onderzoekster zou dit een gevolg kunnen zijn van genetische verarming van de populatie. Alle reislustige dieren zijn bij het maaien omgekomen, en alleen vlinders met genen voor 'honkvastheid' hebben het overleefd. Met behulp van eiwit-elektroforese toonde de promovenda aan dat de bronpopulatie maar weinig genetische variatie bezat. De volwassen vlinders leven maar kort, hooguit een maand, en ze zijn erg gevoelig voor onverwachte tegenslagen. Om hun levensvatbaarheid op langere termijn te garanderen is een netwerk van diverse populaties (een zogenoemde metapopulatie) nodig.