Afghanistan, een multi-etnische puzzel

Hoe moeten de stukjes van de Afghaanse puzzel worden gelegd om een `stabiele' regering te formeren? Dat is de vraag waarover de anti-Talibaan-alliantie zich het hoofd breekt.

De Afghaanse oud-mujahedeenleider Pir Sayed Ahmad Gailani is op herhaling. Ten tijde van de guerrilla tegen de Sovjetbezetting in de jaren tachtig genoot hij populariteit onder de Pathanen in het zuiden en oosten van Afghanistan als leider van het gematigde Mahaz-e-Milli (Nationaal Islamitisch Front). Hij bepleitte de terugkeer van een andere Pathaan, de sinds 1973 in Rome in ballingschap verblijvende ex-koning Zahir Shah. Maar Pakistan en de Verenigde Staten voelden daar destijds niets voor: hun geheime diensten gaven liever wapens aan militante groepen als Hizb-i Islami van Gulbuddin Hekmatyar en Jamiat-i Islami van professor Burhanuddin Rabbani.

Deze week organiseerde Gailani, een aangetrouwd familielid van de ex-koning, in Peshawar een grote bijeenkomst van Afghanen in de diaspora en stamhoofden uit Afghanistan zelf. Opnieuw hield hij een warm pleidooi voor de vorming van een nieuwe, nationale regering met technocraten onder leiding van Zahir Shah. Maar tot zijn spijt moest hij constateren dat de ex-koning het kennelijk nog niet opportuun had gevonden een delegatie naar Noord-Pakistaanse grensstad te sturen.

Toch is het ongeduld van de voormalige veldheer begrijpelijk. Na drie weken van Amerikaanse bombardementen op Afghanistan lijkt het doel van het doden van de extremist Osama bin Laden steeds meer naar de achtergrond te schuiven om plaats te maken voor de hoop op een snelle ineenstorting van het Talibaan-regime. Ook de Algerijnse oud-minister van Buitenlandse Zaken, Lakhdar Brahimi, deelt die hoop.

Twee jaar geleden legde deze speciale gezant van de Verenigde Naties voor Afghanistan het bijltje er bij neer, ,,bitter teleurgesteld'' door de weigering van de Talibaan en de noordelijke verzetsgroepen om te onderhandelen.

Maar Brahimi is weer terug als VN-gezant. Anders dan voorheen krijgt hij nu buitenlandse steun bij zijn vredespogingen en bestaat overeenstemming over de samenstelling van een nieuwe islamitische regering: die moet de etnische schakeringen in de Afghaanse samenleving weerspiegelen. Zelfs de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Powell, erkent dat ook ,,gematigde'' elementen van de Talibaan onderdak moeten vinden in Kabul. Het doel is niet een ,,etnische zuivering'' onder de gelederen van de Pathanen, maar om van dit Talibaan-regime af te komen, zei hij onlangs in de Pakistaanse hoofdstad Islamabad.

Tot zover is de inzet van de huidige militaire campagne in Afghanistan duidelijk. Minder helder is evenwel hoe de stukjes van de Afghaanse puzzel gelegd moeten worden om een `stabiele' regering te formeren.

Ondanks de aanhoudende bombardementen geven de Talibaan nog steeds geen tekenen van overgave. De milities van de Noordelijke Alliantie wachten intussen ongeduldig op de beslissende Amerikaanse luchtsteun om op te rukken naar Kabul.

Afghanistan is een multi-etnische, overwegend soennitische samenleving. De grootste bevolkingsgroep zijn de Pathanen (waartoe ook de meeste Talibaan behoren) met rond de 45 procent, gevolgd door Tadzjieken (20 procent), Turkmenen en Oezbeken (beiden tussen de 5 en 10 procent). Sjiietische bevolkingsgroepen (waaronder de Hazara's) maken gezamenlijk zo'n 15 procent uit. Deze lappendeken verklaart de huidige impasse. Elke groep heeft zijn eigen leider en zijn eigen ambities.

Wil men recht doen aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging in een nieuwe regering in Kabul en voldoende draagvlak creëren, dan zullen de Pathanen het grootste aantal ministers leveren. Maar daarvoor moet worden ingebroken in door de Talibaan beheerst grondgebied. Tegelijkertijd zitten de commandanten van de noordelijke anti-Talibaan milities niet te wachten op een door Pathanen gedomineerde regering in Kabul. Liever verdelen de opvolgers van de onlangs vermoorde Tadzjiekse generaal Massoud, de Oezbeekse veldheer Dostum, de onlangs uit Irak teruggekeerde sjiietische strijder Khalili en andere militieleiders de buit onderling. Per slot van rekening wordt hun regering, onder leiding van president Rabbani, door de VN nog steeds formeel erkend als de legitieme regering van Afghanistan.

Met een beetje goede wil en wijsheid moet een oplossing mogelijk zijn. Maar de afgelopen jaren hebben geleerd dat op beide eigenschappen niet al te veel hoeft te worden gerekend bij de Afghaanse milities.

Na het vertrek van de Sovjetbezetters hadden zij al eens de kans om de zaak in eigen hand te nemen. Maar in plaats van verzoening na te streven en te werken aan opbouw, richtten zij de wapens op elkaar.

De Talibaan hebben hun succesrijke opmars juist te danken aan het feit dat zij de vechtende strijdgroepen (ook die van Pathanen) ontwapenden. Ook Washington was daar aanvankelijk van gecharmeerd. En alleen door dat succes zagen de huidige milities van de Noordelijke Alliantie zich gedwongen hun onderlinge strijd te staken.

De mujahadeen konden hun gang gaan in het machtsvacuüm dat ontstond door het vertrek van de Sovjetbezetters en het verdwijnen van de Amerikaanse belangstelling voor de regio. Daardoor ook kregen Afghanistans buurlanden alle ruimte om elk met een eigen agenda de verschillende strijdgroepen te blijven aanmoedigen. Door de terugkeer van de VS, daarbij gesteund door Rusland, is aan die situatie abrupt een einde gekomen.

Pakistan, de belangrijkste steunpilaar van de Talibaan, is tot de orde geroepen en zijn militaire leider, generaal Musharraf, heeft een volte-face moeten maken ten aanzien van de gastheren van Bin Laden. Musharrafs vertrouweling luitenant-generaal Ehsanul Haq, hoofd van de geheime dienst ISI, moet zijn connecties met de Talibaan gebruiken om gematigde leiders los te peuteren.

Het stroomlijnen van de Pakistaanse invloed in zijn buurland is cruciaal voor de toekomstige stabiliteit in Afghanistan. Musharraf houdt vol dat een nieuwe regering in Kabul niet vijandelijk gezind mag staan tegenover Pakistan, maar hij erkent nu ook dat een brede coalitie, gekozen door het Afghaanse volk zelf, noodzakelijk is. De leiders van de Talibaan heeft hij daar nog niet van kunnen overtuigen. Daarom gaat het speurwerk in en buiten Afghanistan naar alternatief leiderschap koorstachtig door en lijkt de ex-koning vooralsnog een belangrijke troef in het spel.

De Amerikanen blijven hun bommen gooien in de hoop de Talibaan materieel en moreel zó te verzwakken, dat potentiële overlopers eieren voor hun geld gaan kiezen. Maar die stap zullen ze misschien pas zetten als ze weten naar wie ze kunnen overlopen. Aansluiting bij de officiële regering van de Noordelijke Alliantie is voor hen geen lokkend perspectief. Zonder een goede regering geen gematigde Talibaan, en zonder gematigde Talibaan geen goede regering – dat is het dilemma waar Washington en haar bondgenoten nog niet uit zijn.