180.000 trekkers

Het derde deel van `Techniek in Nederland in de twintigste eeuw' is gewijd aan de schaalvergroting in de landbouw en aan de veranderingen in de voeding. Ook nu worden weer verrassende verbanden gelegd die de serie zo interessant maken.

Aan het eind van de negentiende eeuw was de landbouw de meest zichtbare sector van de Nederlandse economie. Een derde van de beroepsbevolking verdiende er zijn brood. Zodra je een voet buiten de stad zette waren deze honderdduizenden mensen ook daadwerkelijk te zien op akkers en velden. Vandaag de dag verdient minder dan vijf procent van de beroepsbevolking de kost in de landbouw. Deze mensen zijn bovendien goeddeels onzichtbaar geworden, omdat landbouw zich in toenemende mate binnenshuis afspeelt: in kassen, stallen en hokken. De televisie is het venster op deze wereld geworden, en dat nog alleen in tijden van crisis.

Toch is het belang van de landbouw voor de Nederlandse economie niet afgenomen. Nederland is in de loop van de afgelopen eeuw de derde voedselexporteur ter wereld geworden, na de Verenigde Staten en Frankrijk. Tussen deze ogenschijnlijk tegenstrijdige ontwikkelingen van verdwijning en expansie liggen schaalvergroting en efficiencyverbetering, en ligt een eeuw van technische vernieuwing. Aan die Nederlandse `grote sprong voorwaarts' is ruim de helft van het derde deel uit de serie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw gewijd.

In veel opzichten heeft die sprong voorwaarts zich vooral na de Tweede Wereldoorlog voltrokken. Toen pas begon het aantal boerenbedrijven dramatisch af te nemen; het aantal bedrijven waar varkens worden gehouden nam bijvoorbeeld af van circa 270.000 in 1945 tot 20.000 nu. Toen pas begon het universele werktuig van de hedendaagse boer de trekker aan zijn onstuitbare opmars. Direct na de oorlog was er vrijwel geen trekker meer beschikbaar, vijf jaar later waren er al zo'n 18.000. Dat aantal is inmiddels vertienvoudigd, terwijl tegelijk het aantal bedrijven flink afnam.

De opmars van de trekker laat goed zien hoe techniek nauw verweven is met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de samenleving in den brede. Voor de oorlog was landarbeider een zeer algemeen voorkomend beroep. Dat beroep kwam onder druk te staan doordat het uurloon tussen 1953 en 1962 (dus vóór het loslaten van de geleide loonpolitiek) verdubbelde. In diezelfde tijd nam de prijs van middelzware trekkers slechts negen procent toe, die van brandstof slechts zeven procent. Trekkers jaagden dus de arbeiders van het land. De snel groeiende industrie had die mensen overigens hard nodig.

De overgang van paard naar trekker had ook een zichzelf versterkend effect: allerlei wagens en werktuigen, zoals ploegen en eggen, moesten worden vervangen. Berekeningen uit die tijd laten zien dat het economisch voordeel voor de boer in kwestie verre van evident was: mechanisatie noopte tot voor die tijd grote investeringen, terwijl de mogelijkheden voor kostenbesparingen beperkt waren. Boeren zochten dan ook veelal mogelijkheden om extra geld te verdienen in plaats van kosten te besparen, bijvoorbeeld door verhandelbare gewassen te verbouwen in plaats van paardenvoer en door koeien te laten grazen op de vrijgekomen paardenweiden. Mechanisatie werkte schaalvergroting in de hand, schaalvergroting maakte mechanisatie rendabeler.

Zuiver economische voordelen bieden dan ook onvoldoende verklaring voor de snelle opmars van de trekker. Ook culturele factoren speelden een rol. Een trekker was `modern'. Jonge landarbeiders wilden graag met een trekker werken en steeds minder met die `ouderwetse' paarden. Boerenzoons uit een bedrijf zonder trekker voelden zich begin jaren zestig in het nadeel op de huwelijksmarkt.

Huwelijksmarkt

Trekkers werden in de loop der jaren steeds veelzijdiger. Door aanpassingen aan de wielen en de aandrijving, zoals de opkomst van kooiwielen, konden de veelal in Amerika ontwikkelde trekkers beter uit de voeten op de zachte Nederlandse bodem. Hefinrichtingen en aandrijfassen voor externe machines maakten de trekker van een leverancier van trekkracht tot een universeel inzetbare energiebron.

Deze complexiteit van techniekgeschiedenis techniek, economie en cultuur in een moeilijk te ontwarren kluwen komt vaak het best tot zijn recht bij de meest traditionele technieken: mechanische en elektrische. Dat is ook in dit boek het geval. Misschien komt dat wel doordat mechanische en elektrische techniek zo gemakkelijk als `on-sociaal' worden gezien. Daardoor levert het aantonen van de verwevenheid met de huwelijksmarkt van boerenzoons of de loonstructuur van de Nederlandse arbeidsmarkt al snel voor velen nieuwe inzichten op. Het zijn zulke onverwachte verbanden die deze serie boeken ook voor een veel breder publiek dan technici interessant maken.

Nieuwe apparaten om een bepaalde klus te klaren vereisen een nieuw soort kennis van degenen die dat werk moeten doen. Soms is die nieuwe kennis betrekkelijk onproblematisch. Trekkerrijden is snel geleerd. Andere nieuwe vaardigheden zijn verre van vanzelfsprekend, zoals die om hennen van haantjes te onderscheiden bij net uitgebroede kuikens, het zogeheten seksen.

De invoering op grote schaal van broedmachines vanaf het eind van de jaren twintig stuwde de productie van kuikens enorm op. Dat vergrootte de economische noodzaak om de waardevolle hennen en de waardeloze haantjes in een vroeg stadium van elkaar te scheiden. Alleen, het verschil tussen hennen en haantjes is bij eendagskuikens niet zo makkelijk te zien. Een Japanner ontwikkelde hiervoor een techniek waarbij de cloaca werd uitgestulpt waardoor het geslachtsorgaan van de haantjes zichtbaar werd. Dit specialistische en arbeidsintensieve werk werd in Nederland vanaf het midden van de jaren dertig vrijwel uitsluitend door Japanners verricht. Velen waren in dienst van de Hollands-Japanse Kuikensex Onderneming.

In 1940 vertrokken de Japanners. Direct na de oorlog werden in Nederland speciale scholen opgericht waar meisjes in tegenstelling tot in Japan werd het seksen van kuikens in Nederland vrouwenwerk het vak van seksster leerden, aanvankelijk onder leiding van Amerikaanse deskundigen. In dit verhaal zijn vele witte vlekken opengelaten. Waarom kwamen die seksmeesters uit Japan, terwijl de techniek voor de broedmachines in de eerste plaats uit de Verenigde Staten, Engeland en Duitsland kwam? Speelden Japanners een zelfde rol in Engeland, Duitsland of Amerika, of was de eigen deskundigheid daar veel groter? Hoe ging dat in andere Europese landen met een snel groeiende pluimveesector? Dit is een voorbeeld dat roept om internationaal vergelijkend onderzoek. Aan plannen om een project als `Techniek in Nederland in de twintigste eeuw' op Europese schaal op te zetten wordt overigens inmiddels gewerkt, maar dit zal ongetwijfeld nog een slag complexer en duurder worden dan het Nederlandse project, met een budget van meer dan twintig miljoen gulden al zeer omvangrijk voor historisch onderzoek.

De tweede helft van het boek gaat over een nauw aan landbouw verwante sector: voeding. Veranderingen in assortimenten, consumptiepatronen, conserveringstechnieken en distributieketens worden hier in hun onderlinge samenhang bekeken. In het algemeen zijn deze hoofdstukken minder technisch en meer sociologisch van aard dan de landbouwhoofdstukken, zozeer zelfs dat men zich soms afvraagt wat het gelezene doet in een boek over techniekgeschiedenis.

Flatwoningen

Een en ander neemt niet weg dat er ook pareltjes van onvermoede samenhangen opduiken. Wat te denken bijvoorbeeld van de manier waarop pakken melk flessen melk verdrongen (mede) door de opkomst van de flatwoning. De aan de hand van bronnen aannemelijk gemaakte redenering luidt als volgt: tot in de jaren vijftig werd melk vooral aan huis bezorgd. Men moest daarvoor erkend zuivelhandelaar zijn. Door de bouw van flats ontstond een discussie over de bezorging van melk: moest de melkboer de flat in, of moest de huisvrouw de melk beneden komen ophalen? De melkboeren die in ruil voor hun monopolie een plicht tot bezorging aan de deur hadden voelden weinig voor dat extra gesjouw de galerijen op: dat kostte tijd, het was zwaar en er stond geen extra omzet tegenover. Ze werden dan uiteindelijk ook door hun productschap in 1958 ontheven van de verplichting ook in flats aan de deur te bezorgen.

Consequentie was dat de huisvrouw zelf moest sjouwen. Minister Mansholt greep de ontwikkeling aan door te pleiten voor modernere, lichtere verpakkingen voor melk. Karton in plaats van glas. Huisvrouwen sjouwden, steeds minder bij de flatingang, steeds meer vanaf de supermarkt, die melk tegen lagere prijzen dan de zuivelhandel aanbood. Vanaf 1960 begon het pak melk gestaag terrein te winnen, totdat in de jaren negentig de losse melk en de flessen melk vrijwel van de markt waren verdwenen. Dat een conflict over de bezorging door de bouw van flats op de spits werd gedreven, waardoor de volkshuisvestingspolitiek een belangrijk element werd in de zuiveldistributie, dat zijn het soort inzichten waarvoor je zo'n boek leest.

J.W. Schot e.a. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw Deel III: Landbouw en Voeding. Walburg Pers, Zutphen, 2001. ISBN 90.5730.066.4, 442 blz. Prijs: ƒ89,50.