Verwoorder van alle wanhoop

`Wanneer ik niet genoeg goede verzen heb geschreven, dan komt dat omdat ik niet genoeg gelukkig ben geweest.' Hans Lodeizen schrijft het in april 1948, 23 jaar oud. De dichter die te boek zal komen te staan als de verwoorder van wanhoop en onzekerheid en die generaties adolescenten en jonge homo's de mogelijkheid tot helende identificatie biedt moet zich goed voelen om te kunnen schrijven. Die maand is dat zo, misschien wel voor het eerst in zijn leven, en zijn dichterschap `ontketent', aldus Gerard Bes in zijn biografie van Lodeizen, Liever liefde dan gedichten.

De reden voor zijn geluksgevoel is minder poëtisch. Tijdens een vakantieverblijf in New Orleans lijkt de in Amerika studerende Lodeizen seksueel bevrijd te raken. Hij leeft er op los en slaapt na toevallige ontmoetingen met diverse mannen en jongens. Na jaren van hevige worstelingen met zijn geaardheid en zijn kuisheid komt de ontlading als een verrassing. De enige aankondiging is dat hij in december rept van een `zinnelijk avontuur' met een `flikker in Hollywood'. Lodeizen noteert in zijn dagboek: `De avond bij die vent gaf me een geweldig gevoel van overwinning; ik voelde me vrij van schuld tegenover het leven.'

In New Orleans blijkt hij behalve een volleerd versierder ook een routineuze male prostitute. Al in de eerste nacht deelt hij het bed met een vliegenier en met enige moeite `krijgt Hans toch nog twintig dollar'. De avond daarvoor, nog op reis, zegt een andere klant hem wel geld toe, maar hij blijkt het niet op zak te hebben. 's Ochtends wacht Lodeizen vergeefs. `Naar de vijf dollars kan hij fluiten', schrijft biograaf Bes onaangedaan, en laat het erbij.

Waar de homoseksualiteit in de gedichten noodgedwongen nog omfloerst is, blijft niets daarvan verborgen in Liever liefde dan gedichten. Het boek tekent vooral op dat punt een onthullend en soms onthutsend portret. Over zijn poëzie valt minder nieuws te ontdekken – de roep dat hij een voorloper van de Vijftigers zou zijn hoeft al lang niet meer ontzenuwd te worden.

Maniakaal planner

Nog pregnanter dan in zijn gedichten komt Lodeizen in de biografie naar voren als een gekwelde, op introspectie gefixeerde melancholicus, met als voornaamste probleem het gapende gat tussen droom en daad. Hij is een maniakaal planner, maar kan nooit aan de zelfopgelegde eisen voldoen. Zijn voornemens en plannen rangschikt hij in een tijdschema, met jaren voor werk en jaren voor liefdesavonturen. Nog op zijn sterfbed ontwerpt hij een schema voor de komende tien jaar. Ook is hij een onmatig lezer uit de verbazingwekkend moderne en internationaal georiënteerde bibliotheek van zijn vader. Lezen schroeft zijn ambities op. Op zijn veertiende vinden zijn medescholieren hem al een gereserveerde, stugge jongen. Hij leest al Nietzsche en verdiept zich in metafysica. Zijn fantasie ontwikkelt zich als kind in zijn samenspraak met dieren. Al snel nemen de boeken hun plaats in, met als bijkomend effect dat hij zich sterk vereenzelvigt met hoofdpersonages en schrijvers. Hij wil een groot schrijver worden: `Iedere biographie las ik als een handleiding'. Als hij op zijn zeventiende dreigt te doubleren, loopt hij voor een week weg van huis, zich inbeeldend Rimbaud te zijn. Zijn leven moet `een waagstuk' worden. Middelmatig en gewoon worden is een van zijn grootste angsten.

Zijn verlangens zijn strijdig met de wil van zijn dominante vader, de machtige president-directeur van de multinational Müller & Co, die hem onder druk zet om in zijn voetsporen te treden als zakenman. Kort na de bevrijding begint Lodeizen op aandringen van zijn vader een rechtenstudie. Hij vlucht opnieuw, nu naar Londen, en forceert daarmee dat hij in 1946 in Amerika biologie mag gaan studeren.

Daar, op Amherst College, maakt hij voor het eerst echt vrienden. Met de jonge dichter James Merrill kan hij praten over literatuur. Merrill draagt een Oscar Wilde-cape, `gekocht na zijn eerste gedicht in de schoolkrant'. Hij is heimelijk verliefd op Lodeizen, maar deze heeft alleen oog voor Seldon James. De stoere, hooghartige James, die de bijnaam poison geniet, wordt de `even grote als vergeefse liefde' van Lodeizen. Na een korte periode van vriendschap blijft hij James idealiseren als een zielsverwant, zelfs als deze niets meer van hem wil weten en hem achter zijn rug om belachelijk maakt. Niet dat Lodeizen zijn liefde openlijk toont. Merrill is een erkende `sissie', maar James ontkende later ooit iets van Lodeizens homoseksualiteit te hebben gemerkt.

Gedurende de twee jaar in Amerika neemt zijn belangstelling voor biologie gestadig af. Zijn interesse in de liefde en de poëzie neemt navenant toe. Onveranderd is zijn innerlijke strijd. Eind 1947 heet het dat hij `vecht tegen een overmachtige lethargie, – een droefheid die me niet verlaat.' Het eerste rijmloze gedicht stamt van november 1947. Na april 1948, na weken van losbandigheid en levenslust, ontwikkelt hij langzaam een eigen stem.

Rondjes

De biografie toont haarfijn dat de poëzie geen bevrijding biedt voor zijn onaflatende twijfels en zwaarmoedigheid. Lodeizen blijft onvoldaan en draait voortdurend rondjes in zichzelf. Schrijven is voor `ontevreden dagen'. Op zo'n dag in mei 1948 kijkt hij in een lang stuk terug op zijn vriend Seldon. `Toen Seldon de bodem uit mijn leven had geslagen door alles over mij te weten, en het te verachten ben ik in een niets gevallen. [...] Het was een emotioneel vacuüm en alles was zinloos, zo zinloos dat het me verlamde.'

Verlammend voor de lezer is ondertussen evengoed de maalstroom van lusteloosheid en zwartgalligheid. Dat ligt niet aan de ronduit schitterende documentatie uit de eerste hand: de intieme dagboeken van de hoofdpersoon en de levendige commentaren en correspondenties van betrokkenen. Wat wringt is dat de biografie het moet stellen zonder biograaf. Bes biedt geen tegenspel en beperkt zich tot de loop der gebeurtenissen. Nergens neemt hij de rust en de ruimte om context te bieden, ontwikkelingen te analyseren of de ambigue geschriften van Lodeizen te wegen en te duiden. Weliswaar zet hij de biografie op driekwart stil voor veertig bladzijden doorwrochte verhandeling over thema's en motieven in de gedichten van Lodeizen, maar dat sluit vooral aan bij andere eigenaardigheden in het boek, zoals het familiaire gebruik van Hans als naam van zijn hoofdpersoon en het onbekommerd inzetten van dichtregels om beweringen te stutten en witte plekken in te vullen. Het bontst is de noot dat de biografie niet kan worden gelezen zonder een exemplaar van de Verzamelde Gedichten ernaast, `waarnaar ik verwijs of waaruit ik citeer.' Een buikbandje zou gepaster zijn geweest.

Koketterie

Weggedrukt staan nu de commentaren van vrienden en familie, die Lodeizen omschrijven als afstandelijk en hooghartig in de omgang, maar ook als een charmant causeur, sympathiek, `altijd vrolijk', vol grapjes, `verkoper van onzin', met een repertoire aan verhalen en geneigd tot koketterie en het aandikken van anekdotes. Is dat echt alleen maar de Lodeizen zoals hij zich voordeed, de toneelspeler? Kwam niets daarvan op papier?

Wat te denken van opmerkingen over zijn homoseksualiteit: `Ik heb mezelf onnatuurlijk en in hoge graad ziek gemaakt'. Bes schrijft dat Lodeizen zich `in homoseksueel voelen getraind' heeft. Zonder toelichting blijft de zin: `Hij [Lodeizen] zoekt een boek van Gide, om wie hij, om hem beter te begrijpen, homoseksueel was geworden.' Dit laatste citaat is een voorbeeld van de verwarrende vertelmethode van de biograaf. Onaangekondigd laat hij zijn eigen teksten overlopen in parafrases van Lodeizens tekst. Het plaatst de lezer menigmaal voor verrassingen. Slechts eenmaal schrikt Bes zelf op van zijn mengvorm – als hij een moment van vertwijfeling bij Lodeizen parafraseert en interrumpeert: `Waarom lezen, waarom leren? Alle wijsheid die je van leren en lezen opdoet is, bij hem althans, een gevolg van impotentie.'

Visum

Allesbehalve geplaagd door impotentie toont Lodeizen zich tijdens zijn laatste zomer in Amerika, in New York, waar hij `haast iedere dag met iemand anders naar bed' gaat. Bij gebrek aan studieresultaten wordt zijn visum niet verlengd. In het najaar van 1948 keert hij noodgedwongen terug naar het ouderlijk huis in Wassenaar. Daar leeft hij zijn hang naar `jongens van de rauwere soort' uit in het `sociaal lagere, enigszins semi-criminele milieu' van Den Haag-centrum. Hoewel door zijn vader gedwongen tot een kantoorbaan werkt hij verder aan een bundel. Lodeizen verkeert niet in literaire milieus en het beslissende contact voor de uitgave van Het innerlijk behang wordt begin 1949 gelegd door bemiddeling van L.A. Ries, de vertegenwoordiger van zijn vaders bedrijf in New York, met wie hij bevriend is geraakt en correspondeert. Ries stuurt de hem toegezonden gedichten door naar Adriaan van der Veen die op zijn beurt Adriaan Morriën inschakelt. Deze herkent `het uitzonderlijke' van de gedichten en kan als redacteur van de reeks `De Vrije Bladen' de uitgave bewerkstelligen.

Niet ver voor zijn dood krijgt Lodeizen zijn bundel met gedichten in handen. Hij beweert dat het hem weinig meer doet — al heeft hij de drukproeven opnieuw laten zetten omdat niet was voldaan aan zijn ongewone typografische wensen. Hij is dan al maanden ziek. Vanwege zijn oblomovistische instelling wordt hij vaak voor schoolziek gehouden, maar in het voorjaar van 1950 wordt er `acute leukemie' bij hem geconstateerd. Zijn ouders houden hem onwetend. Niettemin beseft hij te zullen sterven. Twee dagen voor het zover is valt hij huilend in de armen van zijn Amerikaanse vriend Ray, die is overgekomen om hem gezelschap te houden. `Ik wil niet dood', schreeuwt hij.

Op 26 juli 1950 overlijdt hij, voor altijd dichter van één bundel. Zijn vriend James Merrill wordt een veelgelauwerd dichter in Amerika, voor Lodeizen resteert alleen zijn Nagelaten Werk.

Gerard Bes: Liever liefde dan gedichten. Hans Lodeizen, 1924-1950. Balans, 343 blz. ƒ55,09