Tij voor `zuivere' vrijhandel is aan het verlopen

Onderhandelen over vrijere handel is er niet eenvoudiger op geworden. Achtereenvolgens de Kennedyronde (1967), de Tokioronde (1979) en de Uruguayronde (1993) zagen een toenemend aantal thema's op de agenda verschijnen. Het aanstaande overleg van de Wereld Handels Organisatie (WTO) in Doha, Qatar, zal echter een record vestigen. Zaken als de bescherming van het milieu, de omstandigheden op de werkvloer, investeringen, concurrentie, (anti)dumping en de bescherming van het intellectuele eigendom (denk aan octrooien en patenten) zullen aan de orde komen. Hoewel in Doha slechts de eerste schermutselingen zullen worden gehouden in een confrontatie die, naar de geschiedenis leert, jaren kan duren, zal het er hevig toegaan. Zelfs een mislukking bij voorbaat is niet uitgesloten. Het verloop van de voorbesprekingen in Genève, waar de WTO zetelt, stemt niet optimistisch.

Ruwweg tekent zich een tegenstelling af tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. De eerste neigen naar bescherming van de eigen markt, de tweede streven naar opening van de markten der rijken voor de afzet van de eigen, zo lang buitengesloten producten. Maar er lopen ook scheidslijnen dwars door de achterban van de regeringen van de rijke landen: voorvechters van globalisering versus vakbonden, milieubeschermers en organisaties tegen bijvoorbeeld kinderarbeid. Anders dan voorheen hebben al deze groepen invloed verworven op het handelsoverleg, met als gevolg, menen sommigen, dat dit overleg oneigenlijk wordt belast en nauwelijks nog het oorspronkelijke doel dient.

Het tij voor een `zuivere' handelsronde is aan het verlopen. Dat bleek bij de stemming van 9 oktober jongstleden in de budgetcommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Met 26 tegen 13 stemmen werd daar een wetsontwerp aangenomen om de regering ruim baan te geven in de WTO. Het ontwerp had de steun van de Republikeinen in de commissie en van drie Democraten. Maar zelfs in dit voorstel van de voorvechters van vrijhandel is ruimte gereserveerd voor onderwerpen die bonden en milieugroepen ter harte gaan. Anderzijds werd een Democratisch amendement met stringente voorwaarden op het gebied van arbeidsomstandigheden met ruime meerderheid verworpen.

Het eerste obstakel dat moet worden overwonnen is intussen niet van inhoudelijke maar van procedurele aard. Een handelsronde moet uitmonden in een verdrag, de hoogste graad van internationale verplichting over en weer. Dat betekent dat het akkoord moet worden goedgekeurd door de parlementen van de deelnemende landen. Gezien het feit dat het eindresultaat van een handelsronde het product is van moeizaam bereikte compromissen, beperkt de keuze voor de parlementen zich doorgaans tot aanvaarden of afwijzen. Amendering zou alles weer op losse schroeven zetten en tot heropening van de onderhandelingen nopen. Het probleem is dat juist het Amerikaanse Congres moeite heeft met het afzien van het recht tot amendering.

In 1994 verliep de zogenoemde `fast track'-bevoegdheid van de Amerikaanse president. Deze door het Congres bij wet verleende bevoegdheid had opeenvolgende presidenten de ruimte gegeven om handelsakkoorden te sluiten die de volksvertegenwoordiging slechts kon af- of goedkeuren. In 1997 probeerde Clinton de fast track-procedure nieuw leven in te blazen, maar hij stuitte op volksvertegenwoordigers van zijn eigen partij die vreesden dat vakbonds- en milieubelangen dan niet tot hun recht zouden komen. Bush doet nu opnieuw een poging maar, zoals de stemming eerder deze maand in het Huis liet zien, de president krijgt die bevoegdheid in het beste geval alleen als hij bereid is tot tegemoetkomingen, hoe vaag misschien ook, op de omstreden punten van arbeidsomstandigheden en milieubescherming.

Waarschijnlijk zal er van een nieuwe handelsronde geen sprake zijn, als het Amerikaanse Congres niet bereid blijkt tot stroomlijning van de procedure. Van andere landen kan niet worden verwacht dat zij jarenlang hun tijd en energie besteden aan het sluiten van compromissen die straks in Washington zonder omhaal kunnen worden opgeblazen. Zeker de Europese Unie, die namens haar lidstaten aan het WTO-overleg deelneemt, zal hier niet voor voelen. Er bestaat dus de nodige pressie op de Amerikaanse volksvertegenwoordiging om in te binden. Maar tegelijkertijd zijn er sterke krachten in het Congres die niet op een nieuwe handelsronde zitten te wachten.

De regering-Bush en haar handlangers in het Huis van Afgevaardigden hebben nog een poging gedaan een vleugje patriottisme aan de botsing der meningen toe te voegen. Na 11 september heeft de wereld zich verenigd achter het vaandel van de strijd tegen terrorisme, zo luidde de redenering, het gaat niet aan de wereld op handelsgebied in de kou te laten staan. Het argument wist de sceptici niet te overtuigen. Ik zie niet wat handel en terrorisme met elkaar te maken hebben, was een van de reacties. Het wachten is nu op de stemming in het Huis als geheel en het verloop van het debat in de Senaat.

Een geheel nieuwe factor in het komende overleg zal China zijn, dat op het punt staat tot de WTO toe te treden. Het Chinese lidmaatschap zal de tegenstellingen alleen maar verhevigen. Het land zal meer ruimte krijgen voor zijn producten op de wereldmarkt, maar het zal ook de eigen markt moeten openen voor afzet uit het buitenland. Knelpunten zijn de Chinese landbouw, de staatsbedrijven en het bankwezen. Geen van de drie sectoren hebben ook nog maar een begin gemaakt met aanpassing aan de standaarden van de wereldmarkt. Stroomlijning van de Chinese landbouw zal het tientallen miljoenen tellende rondzwervende leger ontwortelde werklozen verder doen aanzwellen. Hetzelfde geldt voor de staatsbedrijven die iedere concurrentiekracht missen. De positie van het bankwezen is een soort staatsgeheim, maar vast staat dat de banken uiterst ongezond zijn. De controle op de banken is feitelijk nog een zaak van de communistische partij.

Een speler van een omvang als China zal toch het nodige gewicht in de schaal leggen. China's belang bij het toegang krijgen tot de markten der rijken loopt parallel aan de wensen van de ontwikkelingslanden. Bovendien beschikt het land over een niet te veronachtzamen vuistpand, de eigen markt. Het Chinese lidmaatschap zal alleen al daarom automatisch grenzen stellen aan het optuigen van het overleg met handelsvreemde zaken. Maar in Doha zal daarvan nog niet veel te merken zijn.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.