Propaganda Hollandaise

In de documentairefilm `De Keuken van Kok' van Niek Koppen over de PvdA-verkiezingscampagne van 1998 speelt toenmalig fractievoorzitter Jacques Wallage een opmerkelijke rol. Als het zogeheten campagneteam waarin ook Wallage zitting heeft op een gegeven ogenblik constateert dat een reeds afgesproken interview met een van de PvdA-kandidaten opeens niet meer zo goed uitkomt, stelt hij voor dat gesprek af te zeggen. Maar de afspraak met de krant is reeds gemaakt, sputteren de andere leden van het team tegen. Wallage ziet het probleem niet. Dan voeren we maar `agendatechnische redenen' als argument aan dat het niet door kan gaan, zegt hij zelfverzekerd.

Op een ander ogenblik in de campagne, als de publiciteit volgens lijsttrekker Kok enigszins tegenvalt, stelt Wallage voor de `jongens van de pers' die de verkiezingstournee volgen `even bij de hand' te nemen. ,,Ze moeten iets meer gecoacht en geholpen worden een bepaald punt te brengen'', aldus de adjudant van Kok.

Zijn eerste interventie is een voorbeeld van bedrog; zijn tweede een voorbeeld van poging tot manipulatie. Het is duidelijk dat iemand met dergelijke papieren het voorzitterschap van een commissie die de toekomst van de overheidscommunicatie moet bestuderen wel is toevertrouwd.

Een commissie die iets gaat onderzoeken suggereert het bestaan van een probleem. Dat is er dan ook. Althans in de ogen van politieke bestuurders en hun voorlichters. De klacht luidt al jaren dat `de boodschap' niet meer goed overkomt. Bedoeld wordt natuurlijk: hun boodschap. Nijvere voorlichters wisten het ongenoegen dankzij het regeerakkoord van 1998 te agenderen. Er zou een onderzoek komen naar de effectiviteit van de overheidsvoorlichting, aldus dat akkoord. ,,Het is niet alleen van belang dat zoveel mogelijk burgers tot zoveel mogelijk overheidsinformatie toegang hebben, maar ook dat maatwerk kan worden geleverd om met bepaalde boodschappen specifieke doelgroepen te bereiken'', zo schreven de voorlieden van Paars.

Op het eerste gezicht is het een tamelijk onschuldige zin. Maar het is een zin met een dubbele bodem. Aan de ene kant tonen de schrijvers zich `volbloed' democraten: zoveel mogelijk burgers moeten zoveel mogelijk toegang tot overheidsinformatie hebben. Het venijn zit echter in het tweede deel van de zin, waarbij gewezen wordt op de noodzaak om met bepaalde boodschappen specifieke doelgroepen te bereiken. Hier gaat het dus niet langer om het belang van de burger, maar om het belang van de overheid.

Natuurlijk moet de overheid vanuit het algemeen belang met `specifieke doelgroepen' kunnen communiceren. De MKZ-crisis van dit voorjaar, waar sprake was van een moeilijke en vaak ook ingewikkelde boodschap van het ministerie van Landbouw aan veehouders, heeft dit duidelijk gemaakt. Maar tevens heeft het communicatieve aspect van deze crisis juist aangetoond dat de overheid nu al over middelen beschikt om een `bepaalde boodschap' over te brengen.

Het werkelijke probleem van politieke bestuurders zit dan ook ergens anders. Waar het hun om gaat is de ,,turbulente mediaomgeving waar reputaties ook van beleidsvoornemens sneller zijn beschadigd dan gemaakt'', zoals het werd verwoord in de onlangs gepresenteerde eindrapportage van de Commissie Overheidscommunicatie onder leiding van Jacques Wallage.

Daarom moet de overheid, aldus hetzelfde rapport, ,,voldoende ruimte hebben inhoud en context van het voorgenomen beleid bij de burger te brengen''. Alsof die ruimte er nu niet is. Kranten staan vaak bol van de Haagse beleidsvoornemens. Een ministerloze televisieavond is een unicum. Inderdaad, de media fungeren niet als een doorgeefluik, zoals ten tijde van de verzuiling. De critici van de Haagse plannen komen ook ruimschoots aan het woord. Maar betekent dit nu dat er een pantser is waar de beleidsmakers niet doorheen kunnen dringen? Eerder lijkt het erop dat niet kunnen communiceren (omdat een voornemen veel weerstand oproept) wordt verward met niet mogen communiceren.

Veel is terug te voeren op de schimmige discussie die de zogeheten voorlichting over `niet-aanvaard beleid' telkens weer weet op te roepen. Volgens de gangbare Haagse normen dient terughoudendheid te worden betracht bij het voorlichten over beleidsvoornemens die nog niet de expliciete steun hebben gekregen van het parlement. Daarnaast wordt van voorlichting verwacht dat deze zakelijk van toon is.

In de praktijk wordt met deze leer ruimschoots de hand gelicht. Wat bijvoorbeeld te denken van de laatste miljoenennota van minister Zalm met al zijn tabellen die pas beginnen in het eerste paarse begrotingsjaar 1995? Het is één grote lofzang op zeven jaar paars beleid. Feitelijke en politiek gekleurde informatie lopen nu al volledig door elkaar heen. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want elk beleidsvoornemen heeft een politieke en dus subjectieve grondslag. Het is een waanidee dat er zoiets als geobjectiveerd beleid bestaat waarbij de politiek verantwoordelijken een noodgedwongen, secundaire rol spelen.

Toch stelt de commissie-Wallage een actief voorlichtingsbeleid voor, wat erop neerkomt dat de overheid meer ruimte krijgt het `eigen' verhaal zonder tussenkomst van derden naar voren te brengen. Daaraan wordt wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet de informatie feitelijk van aard en zakelijk van toon zijn, moet de inhoud van het beleid centraal staan en niet de bestuurder, en mag de communicatie over niet-aanvaard beleid niet grootschaliger zijn dan die van de opponenten van het regeringsbeleid.

Het klinkt allemaal heel nobel en zuiver, maar de praktijk zal uitwijzen dat die grenzen, net zoals nu ook al het geval is, niet zijn te trekken. In het aldus ontstane schemergebied zal de overheid een onevenredig machtige speler blijken te zijn. Niet voor niets zegt de commissie-Wallage dat voor het communicatiebeleid van de overheid jaarlijks 500 miljoen gulden extra nodig is. Waar een belangrijk deel van dit bedrag heengaat, laat zich raden. Wie deze `pro-actieve' manier van voorlichting toelaat, begeeft zich op een heilloze weg, waar al spoedig het verschil tussen overheidscommunicatie en overheidspropaganda geheel verdwenen zal zijn.