Plato en de pottenbakker

In het zevende boek van De staat vertelt Plato de beroemd geworden allegorie van de grot. Mensen zitten vastgekluisterd in een ondergrondse ruimte die door een vuur achter hun rug verlicht wordt. Op de tegenoverliggende wand zien ze de schaduwen van figuren en voorwerpen die zich tussen hen en het vuur bevinden. Zij weten niet beter of dát is de werkelijkheid. Filosofen, aldus Plato, hebben de taak hen van hun kluisters te bevrijden, naar buiten te leiden in het volle daglicht en te laten zien hoe de werkelijkheid er echt uitziet.

José Saramago, aan wie drie jaar geleden de Nobelprijs voor literatuur werd toegekend, heeft die allegorie gebruikt voor zijn meest recente roman, die in het Portugees De grot heet, maar in het Nederlands – waarschijnlijk om verwarring met andere titels te voorkomen – Het schijnbestaan. Saramago's boodschap is even duidelijk als die van Plato. Moderne mensen leven een ingekapseld bestaan waarin surrogaatproducten de werkelijkheid zijn gaan vervangen.

Dit moderne verval wordt in Het schijnbestaan belichaamd door een gigantisch winkelcentrum annex woonpark dat in alle menselijke behoeften voorziet en waarin het leven schokloos verglijdt van de wieg naar het graf. Toch bestaat buiten dit steeds verder om zich heen grijpende Centrum nog een traditionele wereld, waarin de pottenbakker Cipriano Algor op eeuwenoude wijze zijn borden, schalen en kannen maakt. Ook hij is echter door een wurgcontract gebonden aan het Centrum, dat zijn enige afnemer is. Wanneer het laat weten op zijn producten geen prijs meer te stellen omdat plastic zoveel handiger en goedkoper is, kan Cipriano geen kant meer op.

Nadat ook een experiment met het vervaardigen van sierpoppetjes mislukt is, gaat Cipriano noodgedwongen in het Centrum wonen, samen met zijn dochter en schoonzoon, die daar bewaker is. De vondst van Plato's grot, die bij de voortdurende bouwwerkzaamheden voor de uitbreiding daarvan komt bloot te liggen, opent hem de ogen voor de schijnwerkelijkheid van het leven daar. Gedrieën trekken zij weg, de echte wereld tegemoet, terwijl billboards de nieuwste attractie aankondigen: `Bezoek Plato's Grot, binnenkort voor publiek geopend'.

Het schijnbestaan is een parabel over het moderne leven, zoals ook Saramago's twee voorafgaande romans (De stad der blinden en Alle namen) dat waren. De liefdeloosheid daarvan èn de ontegenzeglijke waarheid dat alleen met liefde het menselijk bestaan te redden is, vormen het verbindende thema. In het laatste boek gaat het niet alleen meer over liefde voor mensen, maar ook en vooral over de liefde voor dingen. Onze gebruiksvoorwerpen, de huizen die we bewonen en zelfs het landschap waarin we ons bewegen vragen om een teder respect, bij het ontbreken waarvan de wereld zelf ontmenselijkt raakt – zo tracht Saramago duidelijk te maken.

Die waarheid is echter veel moeilijker in een roman te vatten dan de noodzaak van mensenliefde, omdat de wederliefde van de dingen zich niet zo gemakkelijk laat beschrijven als de wederliefde van een andere persoon. En aan de subtiliteit die nodig is om deze op te roepen ontbreekt het ten enenmale. In plaats daarvan valt Saramago terug op de grofst denkbare tegenstellingen, waarvan die tussen de pottenbakkersoven en het winkelcentrum model staat.

In een dergelijk manicheïstisch universum heeft Saramago bij voorbaat gelijk, maar het is een gelijk waarmee je weinig opschiet. De problemen van de moderne wereld zijn ingewikkelder dan de tegenstelling tussen eerzame handarbeid en harteloze commercie suggereert. Wie daarover iets zinvols wil zeggen, kan er niet mee volstaan zijn helden te laten wegtrekken, de wijde wereld in, en daarmee zijn roman te laten eindigen. Over de alternatieve toekomst die Cipriano met zijn familie tegemoet gaat, bewaart Saramago een even hermetisch zwijgen als over de vraag of de moderniteit ook niet iets goeds heeft voortgebracht.

Pas als dat laatste mag meetellen, wordt cultuurkritiek interessant en ontkomt ze aan de militante eenzijdigheid die de borreltafel gemeen heeft met de antiwesterse slogans van de Talibaan. Een roman leent zich waarschijnlijk nog veel beter voor een dergelijke subtiele afweging dan een filosofische verhandeling, omdat daarin vele stemmen kunnen opklinken en vele waarheden zich aan elkaar kunnen meten. In plaats daarvan heeft Saramago de romanvorm gebruikt als inkleding voor een moderne parabel en deze daarmee omgebogen tot een literair en didactisch genre dat slechts één idee wil uitdrukken. Dat verklaart het uitermate schematische en eendimensionale plot van Het schijnbestaan en de pedagogische nadrukkelijkheid ervan. Niets blijft onuitgelegd en niets is ook maar enigszins verrassend.

Voor het vertellen van een parabel heeft het Nieuwe Testament meestal aan een vers of tien genoeg. Saramago heeft een duizendvoudige omvang nodig en daarom blijft geen detail onvermeld, geen antwoord onuitgesproken en geen handeling onbecommentarieerd. De specifieke dialoogtechniek met haar droge realisme die in zijn vroegste romans vaak komisch werkte, is uitgemond in een maniertje dat alleen nog aanleiding geeft tot oeverloos geleuter. De ironische terzijdes waarin Saramago allerlei zwaarwichtigheden van quasi-naïef en daardoor vernietigend commentaar voorzag, brengen geen glimlach meer teweeg.

Het schijnbestaan is daarmee verreweg het slechtste boek uit Saramago's oeuvre geworden. Het zou niet de eerste keer zijn dat een Nobelprijs voor een schrijver een vergiftigd geschenk bleek te zijn en het begin van zijn neergang betekende. Het is nog wat te vroeg die conclusie ook bij Saramago te trekken, maar de tekenen zijn somber.

José Saramago: Het schijnbestaan. Uit het Portugees vertaald door Maartje de Kort. Meulenhoff, 350 blz. ƒ45,18