Padden zijn ook helden

`Het is eenvoudiger een gedicht op een stoeptegel te schrijven/dan erover,' stelt Rouke van der Hoek in Het magnetische noorden. Het is de openingsregel van een gedicht dat uiteraard `Stoeptegel' heet en wel degelijk een poging doet om de trottoirsteen in poëzie te vangen. `Vierkante luiken op de ramen van de aarde', noemt Van der Hoek de betontegels, `opdat bedekt blijft wie daar woont. We gaan over raadsels.'

`Stoeptegel' staat halverwege de bundel. In de verzen ervoor heeft de dichter al soortgelijke exercities toegepast op de afwijking van het kompas en de twee werelden van de fuut, en is hij in het chitine-pantser van de wesp geklommen om met nieuwe ogen naar mensen te kijken. Over mensen en taal gaat het dan ook in Het magnetische noorden, en over de mogelijkheid om de werkelijkheid te benoemen, dus ook over de relatie tussen mensen en werkelijkheid. Dat is een gevaarlijk universele, om niet te zeggen afgezaagde thematiek. Maar in tegenstelling tot veel even filosofisch gerichte dichters slaat Rouke van der Hoek herhaaldelijk de brug van `gedacht' naar gedicht. Dat lukt hem, denk ik, vooral omdat het gedicht zijn gedachte stuurt, en niet andersom. Een mooi voorbeeld biedt `Het bedoelde einde van de poëzie'. Als decor koos de dichter het huis van zijn grootouders aan de Oude Rijn, en in dat decor wordt de taal van zijn oma als vanzelfsprekend op de buitenwereld geprojecteerd.

In het antieke huis met de dunne ramen

sprak oma hardop - ook als zij alleen was –

met haar huishoudelijk handelen mee:

`Leg ik de kaas in de kelder.

Zet ik het bord op het aanrecht

Nu nog even het kleed. Ziezoo.'

Zo stuurde zij zichzelf door koude ruimtes,

prevelde de dingen op hun plaats.

De ultieme schikking waartoe de geschiedenis

moet leiden was in haar huis bijna bereikt.

Buiten voeren aken over de Oude Rijn, bedaar

en statig alsof elke vracht de laatste kon zijn:

`Hout naar de steigers,

steen naar de wal,

kolen naar de kachels.'

Als 's avonds na de afwas de frequentie van

haar zinnen afnam en de poëzie overging

in het best mogelijke einde van de schepping

zagen wij achter Rijn en tuinderij

de silhouetten van stad, watertoren, wolken

samenvloeien in het doven van het licht.

Dat het terloopse karakter van dit gedicht maar schijn is blijkt uit zo'n aardig detail als de dubbele o in `Ziezoo'. Zo zal oma het indertijd ook gezegd hebben, en het gaat hier immers om spreektaal.

Ook in andere gedichten toont Van der Hoek zich een vakman in schijnbaar toevallige, maar meestal rake metaforen. Zijn padden in `De paddentrek' kruipen in maart als op afspraak uit komposthopen en putjes, `hun ogen sluw van een hele winter films kijken'. Even bidden ze tot Baden-Powell: `help ons pad vinden', en dan gaan ze naar hun geboortewater. Van der Hoek beschrijft hun trek in een brooddronken jongensboektaal, die de dieren tot mythisch heldendom verheft. `Alleen de liefdelozen onder ons raken niet ontroerd door de onverklaarbare moed van deze schepsels', concludeert hij. En dan, quasi onontkoombaar, vallen paddentrek en jeugdboek samen in het slotcouplet:

Kinderboeken vol zijn hierover geschreven:

Alleen op de wereld, Kinderen van de grote fjeld,

alle verhalen waarin mensen gaan trekken

om het noodlot te ontlopen.

Het magnetische noorden is niet het debuut van Rouke van der Hoek. Zijn eerste bundel, Aan de zijkant van de zon, verscheen al in 1974 bij de Stichting Opwenteling in Eindhoven. Daarna publiceerde hij nog drie andere bundels, de laatste twee in de Zwarte Reeks van Herik. Gedichten uit die bundels keren terug in Het magnetische noorden. `De paddentrek' bijvoorbeeld stond al in Doorgewinterd landschap (1992). Maar met die eerdere publicaties profileerde hij zich niet als de verrassende dichter die nu op de voorgrond treedt. In Het magnetische noorden volgen diepgang en terloopsheid hetzelfde vanzelfsprekende spoor. Heel soms ontsporen ze samen, maar ook in de mindere verzen treft de verfrissende blik waarmee hier gekeken is. Want kijken kan Van der Hoek, en de lezer mag meekijken. Zoals naar die wesp in de openingsregels van `Tegen de herfst': `Kijk, een wesp is een gat in de lucht/ter grootte van een wesp/gevuld met wesp//niet met lucht.' Op zulke momenten is Van der Hoek een gulle dichter.

Rouke van der Hoek: Het magnetische noorden. Atlas, 53 blz. ƒ29,90