Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, was met de bus naar Rotterdam geweest.

Hij kwam een beetje zenuwachtig thuis met een verhaal dat hij ons daarna tientallen keren heeft moeten vertellen. Eerst ging hij naar de poppendokter om onze poppen te laten repareren. Ze hadden losse armen en benen. Daarna dronk hij in een café op de Kruiskade een kopje koffie. Opeens kwam er een man binnenrennen die riep: `Vanaf tweehoog takelen ze de reus van Rotterdam naar buiten.' Mijn vader rende met een groepje mannen naar de Gouvernestraat waar de reus woonde. Hij heette Rigardus Rijnhout. Door een groeistoornis groeide die steeds door. Hij was 36 jaar, 2.55 meter lang en 230 kilo zwaar. Je zag hem met zijn reusachtige fiets door de stad fietsen. Iedereen keek naar hem. Op een dag viel hij. Kneuzingen in zijn zij, hij kwam in een invalidekar terecht. Zijn vader ging altijd met hem mee. Ze gingen vaak naar de Spido, de boot die toeristen de Maas laat zien. Hij verkocht daar ansichtkaarten waar hij zelf opstond. Op de achterkant stond geschreven: `De reus kan niet meer lopen en moet ansichtkaarten verkopen.' Mijn vader hoorde van de omstanders dat Rigardus al een jaar ernstig ziek was. Hij moest naar het ziekenhuis. De hele straat was door de politie afgezet. Toen er iets losschoot van de brancard begon de menigte te loeien. Mijn vader zag de vader van de reus, een klein mannetje die erg treurig keek. Opeens kon hij het niet meer aanzien, zei hij, en ging naar huis. Hij tilde ons om beurten op tot het plafond, om te laten zien hoe groot de reus was.

Daarna snoot hij heel hard zijn neus.