Indië bezocht, voor altijd verkocht

De Nederlands-Indische letterkunde, hoe intrigerend ook, is op een bepaalde manier eenvormig. Het is, volgens Rob Nieuwenhuys, allemaal begonnen met de brief naar huis: de blanke Nederlander berichtte aan het thuisfront hoe het hem of haar verging in het gindse, koloniale rijk. Die brief telde natuurlijk vaste ingrediënten: landschapsbeschrijvingen, een kenschets van de inlandse bevolking, vaak klachten over de bedienden, overwegingen aangaande het mysterieuze en geheimzinnige oosten in ogen van de westerling. Dit alles kan het best samengevat worden onder de noemer `botsing der culturen'.

Opmerkelijk is dat tal van deze elementen ook in de bellettrie voorkomen, alsof het genre van de brief moeiteloos vervloeit met het genre van de roman. In drie onlangs verschenen boeken valt die gelijkluidendheid van de Nederlands-Indische literatuur sterk op, al zijn de boeken in verschillende tijden geschreven. Tussen september 1952 en april 1953 schreef Madelon Székely-Lulofs een feuilleton voor het damesweekblad Margriet, getiteld Storm in haar hart; deze roman speelt zich af op een rubberplantage op Sumatra, een locatie die zij uit haar eigen leven kende, en is nu herdrukt onder de korte, sprekende titel Doekoen. De schrijver Johan Fabricius reisde in de jaren dertig naar het eiland Bali en publiceerde in 1941 zijn boek Bali - Eiland der Demonen. Hoofdfiguur is de schilder Le Mayeur die op Bali in paradijselijke omstandigheden leefde met een van zijn modellen, Karti. Aya Zikken tot slot noemt haar nieuwe boek Indische jaren met als ondertitel: Het verhaal van Tjisaroea. Dit is een bergdorp dat je bereikt voorbij de befaamde Poentjak-pas.

Zikken is een schrijfster met een lange staat van dienst. De Atlasvlinder, haar bekendste boek, verscheen in 1958. Ze deed in tal van boeken verslag van haar vele reizen door het huidige Indonesië, waarbij ze een synthese probeerde te creëren tussen reisverhaal en roman. Ook Indische jaren is hiervan een voorbeeld. Het begint als reisboek: de ik-figuur reist in een busje door Java. Ze gaat terug naar de plek van vroeger, waar ze als kind altijd vakantie vierde en waar ze later, met haar ouders, kwam te wonen. Terug op die plaats wordt ze bestormd door herinneringen: vroeger neemt de plaats in van het heden. Het boek verandert van een reisverhaal in een herinneringsroman, waarin haar ouders de voornaamste plaats vervullen.

Argeloosheid

Het wonderlijke aan Zikkens boek, dat overigens prachtige sfeertekeningen bevat, is de volstrekte argeloosheid van toon. Ze beschrijft ons het Indië van vroeger, compleet met dagindeling en maatschappelijke hiërarchie, alsof er nooit eerder een boek over Indië is verschenen. Dat maakt de herkenning groot. Over haar ouders schrijft ze dat zij in het vooroorlogse Indië `twee ambitieuze jonge mensen' waren `die naar de koloniën waren getrokken om daar een voor hen tot nu toe ongebruikelijk grote staat te gaan voeren'. Dat gold voor vele Nederlanders. Zoals Zikken het oude Indië weergeeft is het alsof ze een foto van toen beschrijft, waarop alles stilstaat: `De vrouwen in sarong en kabaja, de mannen in een gesteven wit linnen jasje en stijf gevouwen gebatikte hoofddoek. Zij hurkten met gebogen hoofd aan de voeten van Manna (de moederfiguur, KF), die in een rotanstoel zat. Ze hadden een zachte stem.'

De drie romans bevatten tal van parallellen, waarin het alsmaar draait om de spanning tussen oost en west. Madelon Székely-Lulofs is van de drie auteurs degene met het meeste gevoel voor drama. Het is terecht dat Doekoen opnieuw is uitgegeven, voorbeeldig bezorgd en ingeleid. De schrijfster, die mede door Rudy Kousbroek herontdekt is, dreigde in de vergetelheid te raken. Ter Braak en Du Perron noemden haar een `damesschrijfster' en die typering, plus hun negatieve kritieken, grepen haar zo aan dat ze `heusch' overwoog zelfmoord te plegen.

De spanning tussen oost en west, tussen mystiek en ratio, tussen geloof en wetenschap, symboliseert Székely-Lulofs in de vergeefse strijd van een westerse chirurg, die werkt in een hospitaal voor koelies. Hij gelooft in de zegeningen van de wetenschap om de koelies, inlandse dagloners, te genezen. In een medicijnvrouw, de doekoen, vindt hij echter zijn tegenstander. Zij hitst de bevolking tegen hem op, er volgen verschrikkelijke taferelen met dood en bedreiging. Je bent geneigd te zeggen dat het heftige realisme van Székely-Lulofs de `aandonzende stille kracht' van Louis Couperus doet verbleken. Zij gebruikt graag zware woorden als `dreigend' en `steenhard', ze heeft het over een `hokkende adem'. Haar stijl is filmisch. Wat zij in woorden oproept, zie je helder voor ogen. Het huwelijk van de chirurg Dolf met Marian wordt door de strijd tegen de geheime machten van de doekoen niet ontwricht, integendeel, het versterkt hun band.

Bij Indische jaren drijft de kloof tussen oost en west wèl een wig in het huwelijk van de ouders van de hoofdpersoon. De man, Per, is gefascineerd door het oosten en verliest zich erin. Zijn vriendschap met een inlandse man, de schilder Odjong, doet hem beseffen dat de oosterse wereld rijk, mysterieus en intrigerend is. Zijn vrouw, Manna, gaat hierin niet mee. Ze worden vreemden voor elkaar. Deze tweespalt toont Zikken op geraffineerde manier aan door op een gastenavond de genodigden een negatief oordeel over deze Odjong uit te laten spreken. Mogelijk was hij betrokken bij een moordpartij (het lijkt De tienduizend dingen van Maria Dermoût wel). Haar echtgenoot is ontzet over deze truc van zijn vrouw. Hij rent naar het huis van Odjong, maar de man is er niet. Hij is al gewaarschuwd. Misschien ziet hij zijn vriend nooit weer, is de duidelijke suggestie van de schrijfster. Vanaf dat ogenblik leeft Per voorgoed `voor vroeger'. De Indische jaren hebben zijn leven veranderd, is de strekking van de titel. Eens in Indië geweest, nooit meer thuis.

Bamboe

Ook in Bali - Eiland der Demonen speelt een schilder de hoofdrol, de in zijn tijd zeer succesvolle Jean Le Mayeur de Merprès. In dorpen als Ubud en Samur werkten in die tijd tal van schilders. De kleurrijke expressionistische stijl van Le Mayeur vond veel bijval. Hij bouwde voor zichzelf en zijn geliefde model Karti een huis van bamboe en atap met een grote galerij. De dragende kracht van de roman is de moeite die de hoofdpersoon zich getroosten moet om tot het geheimzinnige schildersechtpaar door te dringen. Beiden trekken zich in zichzelf terug, geven niets van zichzelf prijs. Fabricius wijdt daar vele passages aan, zoals deze: `Aan Karti waagde ik mij het laatst, maar nadat zij eenmaal voor mij gezeten had, vond ik niets anders meer wat mij boeide. Haar trekken waren volmaakt van harmonie en van de allergrootste eenvoud; elke beweging aan haar was stijl.' Degene aan wie deze gedachten en gevoelens worden toegeschreven, is de schilder Le Mayeur zelf. Fabricius wisselt van perspectief bij de verschillende hoofdstukken. Dan blijkt een opvallende parallel: zowel de schrijver als de schilder zijn bovenmatig geïntrigeerd door de rituelen van het oosten, door de meisjes en vrouwen die zich nooit prijsgeven, door de demonische geladenheid van de natuur. Ze proberen het te doorgronden, maar uiteindelijk lukt hun dat niet. Dat geeft aan Bali een onderstroom van angst.

In dit boek, net als in de beide andere, wordt het oosten strikt bekeken met westerse ogen. In Indische jaren is het een vermoedelijke moordenaar die de oosterse dreiging belichaamt. In Doekoen vertegenwoordigt de listige medicijnvrouw, die handelt en geneest volgens de eeuwenoude tradities, het ondoorgrondelijke oosten en met Bali - Eiland der Demonen schept Fabricius twee verschillende karakters, die elk op eigen manier zich tot het oosten verhouden. De schilder verindischt langzaam, hij `verbalineest', zoals het heet, terwijl de schrijvende ik-figuur een grotere afstand behoudt, al wordt hij door ingewikkelde liefdesverwikkelingen met de Balinese modellen meegesleept.

In de drie romans heeft het oosten, eens een deel van het Nederlandse rijk, een indringende werking op de nieuwelingen uit het westen. Huwelijken of carrières gaan kapot, de vreemdheid is dreigend. In honderden, zo niet duizenden, verhalen en romans uit de Nederlands-Indische letterkunde wordt dit motief telkens weer opnieuw beschreven, alsof het telkens opnieuw ontdekt moest worden.

Madelon Székely-Lulofs: Doekoen. Bezorgd en ingeleid door Olf Praamstra en Gerard Termorshuizen. KITLV, 255 blz. ƒ29,50

Johan Fabricius: Bali – Eiland der Demonen. Roman. Conserve, 266 blz. ƒ44,95

Aya Zikken: Indische jaren. Het verhaal van Tjisaroea. Atlas, 187 blz. ƒ34,90