Ik de Rekenkamer, jij de Nationale Ombudsman

Vriendjespolitiek bij benoemingen op hoge Haagse posten, een erfenis van de ontzuiling, is de gewoonste zaak van de wereld. Een deel van de Tweede Kamer heeft er genoeg van. Vooral PvdA en CDA willen het juist graag zo houden.

Een PvdA'er neemt ontslag. Leve een nieuwe PvdA'er. Dat, zo ongeveer, is de praktijk bij benoemingen in de ambtelijke top en de Hoge Colleges van Staat. Politieke komaf is van doorslaggevend belang als `kwalificatie' voor een vacant gekomen positie. Objectieve profielschetsen worden niet gemaakt; de partij die volgens de mores recht heeft op een positie mag zelf haar beste kandidaat, of gewoon een kandidaat, naar voren schuiven en die maakt de meeste kans. Naar andere kandidaten van andere politieke stromingen wordt niet of nauwelijks gekeken.

Voorzitter Jan van Walsem (D66) van de commissie voor Rijksuitgaven wil daar verandering in brengen. Het moet afgelopen zijn met de nadruk op de politieke kleur voor kandidaten, vindt hij. Hij krijgt steun van GroenLinks, de SP, SGP en VVD. VVD'er Van Beek: ,,De kwaliteit van de kandidaat moet voorop staan. Als dat betekent dat de partijpolitieke voorkeur niet gevolgd kan worden, dan is dat maar zo.'' PvdA en ChristenUnie zijn terughoudend, maar delen Van Walsems bezwaar. PvdA'er Rehwinkel: ,,Nu weet je tenminste wat voor vlees je in de kuip hebt, dat weet je bij onafhankelijken niet. Maar kwaliteit moet natuurlijk voorop staan.'' Het CDA is ronduit tegen een verandering van de benoemingssystematiek. ,,Als je bij de Rekenkamer begint, moet je het overal doorvoeren, dus ook bij secretarissen-generaal en burgemeesters'', aldus CDA'er Henk de Haan.

Directe aanleiding voor Van Walsems oproep is de vacature die ontstaan is nu Ad Havermans (CDA) het college van de Algemene Rekenkamer verlaat. In maart volgend jaar moet de opvolging bekend zijn. Van Walsems voorstel: Zet in de wervingsadvertentie dat je zoekt naar een CDA'er, ofwel laat de eis vallen dat iemand lid moet zijn van dezelfde partij als degene die opstapt. Andere partijen mag, `partijlozen' ook.

Sinds halverwege de jaren zestig is geen functie in het openbaar bestuur vrij van politieke machtsspelletjes. Toen het natuurlijke electoraat onder invloed van de verzuiling begon af te brokkelen, gingen partijen op zoek naar nieuwe invloedssferen. Die werden gevonden in het openbaar bestuur. Bestuurskundige Nico Baakman uit Maastricht doet onderzoek naar dit fenomeen, brengt de historische ontwikkeling van de dagelijkse ,,vriendjespolitiek'' in kaart en zoekt naar een verklaring. ,,Partijen willen politieke invloed, maar op veel posten doet de politieke overtuiging er nauwelijks iets toe. Ze zien het echter als prestigieus om hoge posten te `hebben', en misgunnen elkaar dat. Ook is zo'n baantje handig om mensen die veel voor de partij gedaan hebben te belonen. Mensen worden daarom zelfs lid van een partij.''

Het verdelen van de hoge posten in de ambtelijke molen is verworden tot een lastig te doorbreken cirkel. Immers, iedere partij heeft bij een nieuwe benoeming wel een specifiek belang. De partij in kwestie denkt `recht' te hebben op een bepaalde post op grond van de ongeschreven regel dat de topfuncties in het openbaar bestuur ,,een beetje eerlijk verdeeld moeten zijn onder de grote partijen''. Dus Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA) voorzitter van de Tweede Kamer, dan Gerrit Braks (CDA) van de Eerste Kamer, Roelof Fernhout (D66) als Nationale Ombudsman en ga zo maar door.

Nog even terug naar de Algemene Rekenkamer, als onafhankelijk Hoog College van Staat belast met de toetsing van de overheidsfinanciën. Onafhankelijkheid staat hoog in het vaandel en toch bestaat het college van de Rekenkamer (drie personen) al sinds 1970 uit alleen maar politieke leden. Op de site van de Rekenkamer stond eind 1999 nog de tekst: ,,Hoewel de Rekenkamer geen politieke organisatie is, zijn collegeleden lid van een politieke partij. In beginsel zijn dat altijd verschillende partijen.'' Die tekst is inmiddels verwijderd.

De Rekenkamer plaatst bij een vacature in het college een wervingsadvertentie. Daarin staat geen woord over een gewenste politieke kleur. Dan, na de solliciatierondes, stelt de Rekenkamer een lijst op van zes potentiële kandidaten, in volgorde van voorkeur, en stuurt die lijst naar de Tweede Kamer. Deze zes zijn vaak allemaal van dezelfde politieke kleur, namelijk die van het scheidend collegelid. Voor de opvolger van VVD'er Henk Koning in 1999 mocht de Kamer `kiezen' uit een lijst met vijf VVD'ers en één D66'er, die volgens ingewijden dan ook laatdunkend ,,een halve liberaal'' genoemd.

De Kamer volgt nagenoeg altijd de voordracht van de Rekenkamer, althans, meestal wordt de nummer één van het Rekenkamerlijstje voorgedragen als nieuw collegelid (soms ook nummer twee of drie). Slechts één keer week de Kamer af van het totale lijstje van zes namen. Het betrof de benoeming van Henk Koning (VVD) als opvolger van toenmalig Rekenkamerpresident F. Kordes (CDA) in 1991. Volgens D66'er Van Walsem was de lijst met potentiële CDA-opvolgers die de Rekenkamer destijds voorlegde ,,zo erbarmelijk slecht'' dat de Kamer een eigen keuze maakte en de CDA'ers passeerde ten gunste van een VVD'er.

Deze afwijkende keuze van de Kamer had vergaande gevolgen voor de in de jaren daarvoor zo zorgvuldig opgebouwde politieke balans. Bij de volgende sollicitatie voor de Rekenkamer in 1996 moest het `foutje Koning' vanzelfsprekend worden rechtgezet en kwam de CDA'er Ad Havermans alsnog in het college. PvdA'er Saskia Stuiveling kreeg bij het vertrek van Koning in 1999 echter de felbegeerde voorzittersstoel en Havermans bleef `slechts' collegelid, terwijl was `afgesproken' dat het CDA de Rekenkamer zou krijgen. Dit had volgens CDA'er Henk de Haan weer tot gevolg dat VVD'er Frits Korthals Altes, destijds voorzitter van de Senaat, ,,gedwongen werd die functie vroegtijdig op te geven en over te dragen aan een CDA'er, Gerrit Braks''. Die benoeming kreeg vorige maand zijn beslag, ruim tien jaar na de `vrije' keuze van de Kamer voor Henk Koning.

De ,,vriendjespolitiek'' (Baakman) moet nu dus op de helling. Het is de vraag of het voorstel van Van Walsem c.s. grote kans van slagen heeft. Gevestigde belangen zijn moeilijk te doorbreken, zo leert de geschiedenis. Ook Baakman vreest wat dat betreft het ergste. ,,Het zit in de aard van partijen om op alle plekken invloed uit te willen oefenen. Ze zullen dat tot het uiterste willen verdedigen.''