Het enige waarin ik geloof, is schoonheid

Jeroen Brouwers kwam niet zelf naar de uitreiking van de Ako-literatuurprijs, maar zijn roman Geheime kamers kreeg wel de prijs. ,,Als je pech hebt, wordt je boek afgekraakt waar je bij zit.''

Dit jaar werd Jeroen Brouwers voor het eerst genomineerd voor een Nederlandse prijs, de Ako-literatuurprijs. De uitkomst is bekend: hij won de prijs van ruim een ton en maakte telefonisch bekend daar erg blij mee te zijn. Na zestig boeken lijkt hij eindelijk door te breken naar een groter publiek. Want Geheime kamers was al snel aan zijn achtste druk toe en er zijn inmiddels meer dan 50.000 exemplaren van verkocht. En tot dusver leverde de roman vijf prijzen op: Akoprijs, Multatuliprijs, Gouden Uil, de publieksprijs van de Gouden Uil en de Gouden Bladwijzer van Humo. Volgens het juryrapport van de Ako zou Geheime kamers klinken `als een symfonie' en gebouwd zijn `als een kathedraal'. Grote woorden, die een verkeerde indruk kunnen geven van het boek dat, voor Brouwers doen, verrassend lichtvoetig is en juist helemaal niet doet denken aan zoiets groots en geconstrueerds als een symfonie of een kathedraal, maar eerder aan een stemmig lied, gezongen in huiselijke kring.

Als we Jeroen Brouwers mogen geloven, dan hebben misschien wel alle mensen geheime kamers waarin zij dingen verborgen houden voor anderen. Ze koesteren verboden verlangens, ze plegen overspel, ze werken in het geniep aan een boek, of sparen woede op en hebben daarvoor al jarenlang een revolver in huis. In Geheime kamers is het, oppervlakkig gezien, kommer en kwel. Mislukte huwelijken, mislukte carrières en een mislukt kind. Een dodelijk schot op het eind. Zelfs overspelige liefde is hier tot mislukken gedoemd. Dat zoveel narigheid toch tot luchtige, zelfs bijna opgewekte en bovendien nogal geestige scènes kan leiden, dat is het grote wonder van deze roman.

In Vrij Nederland had Brouwers een paar maanden geleden al aangekondigd niet meer bij een prijsuitreiking aanwezig te willen zijn waar met afvallers werd gewerkt, met nominaties dus. En hij hield woord. ,,Heb ik dat'', riep Sonja Barend, toen bleek dat uitgerekend de afwezige Brouwers de prijs had gewonnen. Hij maakte het allemaal wel mee, maar op afstand, in zijn huiskamer in het Belgisch-Limburgse Zutendaal. Op de televisie had hij kunnen volgen wat een panel van bekende Nederlanders over de genomineerde boeken te melden had. Zijn matige gezondheid en zijn weerzin tegen het systeem van nominaties weerhielden Brouwers van het bijwonen van de Ako-avond, ook al werd er tot een uur voor de uitzending grote druk op hem uitgeoefend om toch te komen.

Wat is precies uw bezwaar tegen de gang van zaken?

,,Ik heb niets tegen literaire prijzen, zeker niet van dit geldkaliber, maar ik heb alles tegen die poppenkast eromheen. Je wordt uitgescholden als je besluit niet te komen. Dan ben je een spelbreker. Maar het is vernederend en kwetsend voor een schrijver om op zo'n avond aanwezig te zijn, met alle kans bovendien dat je de prijs niet krijgt. Je wordt op stoeltjes naast elkaar gezet, zoals bij de tandarts, en als je dan pech hebt, wordt je boek afgekraakt door een of ander panel en belachelijk gemaakt waar je bij zit.''

Zelf kwam u er goed af.

,,Ja, dat is zo. Dat was zalvend en ik was er door vereerd. Ik was natuurlijk ook erg blij met de prijs, maar tegelijkertijd voelde ik medelijden met de andere genomineerden, die weer naar huis moesten met lege handen. Ze moeten de prijzen handhaven, maar de nominaties afschaffen. De meeste schrijvers zijn armoedzaaiers, die kunnen zo'n bedrag goed gebruiken. Ik zelf ook. Want ik heb dan wel zestig boeken geschreven, maar er zijn er maar zes of zeven van in omloop en van de opbrengst daarvan, een soort kruimelgeld, kan ik niet leven.

,,De Multatuliprijs kríjg je, die ben ik wel gaan halen. De Akoprijs blijk je te wínnen, alsof je ervoor geknokt hebt. Sonja Barend belde mij een paar dagen van te voren op. Ik legde haar uit waarom ik toch echt niet wilde komen. Mijn karakter leent zich er niet voor. Ik ben verlegen en onzeker en dat wil ik allemaal niet op de televisie demonstreren. Toen zei zij tegen mij: ,,Ik zou daar eerlijk gezegd ook niet gaan zitten.'' Dat is een statement. Dus zij heeft ook wel in de gaten dat daar tot het uiterste gespannen personen zitten. Want ik ben heus niet de enige die er een hekel aan heeft. En evengoed zat ik al twee weken van te voren in de zenuwen en was ik zo opgefokt dat ik aan niets anders meer kon denken. Ik vind dat ze alle prijzen voortaan gewoon moeten toekennen, zoals de Multatuliprijs, de Huygensprijs en de Flipflapprijs. Denk je nu echt dat men over een maand nog weet wie er genomineerd waren voor de Ako-prijs?''

Er zijn ook schrijvers die geen moeite hebben met dit soort publiciteit.

,,Vaak zijn dat wat jongere jongens, die houden daarvan. Die komen graag op de televisie of op de radio, die gaan het land in. Dat kan ik allemaal niet. In dit tijdsgewricht moet je met je boeken de boer op om mee te tellen. Toen ik begon met schrijven was dat niet zo. In de jaren zestig verscheen er wel eens een debuut, een of twee per jaar ongeveer. En dat kreeg dan alle aandacht. Mijn debuut, ook al werd het dan unaniem de grond in gestampt, heeft een recensie of vijftien opgeleverd. Dat zie je tegenwoordig niet meer. Dat debuteert maar aan de lopende band en krijgt dan misschien een enkele recensie hier of daar. Ik ben nog van de generatie die het alleen van de besprekingen moest hebben. Een ouwe lul, ouderwets, zoals er nog wel meer zijn. Ik denk dat deze tijd vluchtiger is. Je debuteert, je wordt snel heel erg beroemd en daarna is het weg.''

Vond u het niet pikant dat de door u bewonderde Mulisch de prijs niet kreeg en u wel?

,,Nee. Echt niet. Dat soort triomf heb je niet, ik niet althans. Voor mij is literatuur geen competitie. Het is Mulisch zelf die een keer heeft geschreven dat hij niet van spelletjes houdt omdat hij altijd meeleeft met de verliezer. Dat heb ik ook. Ik draag hem nog steeds een groot respect toe. Ik vind Siegfried een prachtige roman, het meeslepende middendeel althans over Hitler, Eva en dat zoontje. Het begin en het eind vond ik wat minder.''

In het verleden hebt u nogal eens geklaagd over uw status in Nederland. Denkt u daar nu anders over?

,,Ik weet het niet. In Nederland word ik vermoedelijk nog steeds gezien als een zonderling, die op onvindbare plekken woont en nauwelijks benaderbaar is. Als iemand die geen telefoon heeft, niet kan faxen, leeft als een rare heremiet. Maar zo ben ik niet. Ik ben een hartelijke, warmbloedige man, dat weet ik zeker. Vriendelijk, attent en aandachtig. Maar dat weet men dus niet. Men hangt liever aan het cliché dat er over mij bestaat: Brouwers is een nurks, die wil nooit wat, die is altijd chagrijnig.''

Hoe komt u aan die reputatie?

,,Door mijn polemieken. Ik ben heel streng als ik polemiseer. Ik adstrueer alles met voetnoten, vindplaatsen en bronnen en ik lieg nooit. Dat maakt de opponent machteloos. Dat is begonnen in 1979 met De Nieuwe Revisor. Toen kreeg ik de hele grachtengordel over me heen. Dat heeft wel mijn naam gevestigd, maar niet mijn populariteit. Verder wordt over mijn romans doorgaans gezegd dat ze te zwaar op de hand zijn en vooral te barok, ook zo'n kutwoord. Wat dat betekent weet ik niet eens. Barok in de architectuur vind ik prachtig, maar zulk proza schrijf ik niet.

Heeft het misschien te maken met de nogal verknoopte structuur van uw romans?

,,Dat zou kunnen. Ooit ben ik begonnen met klassieke verhalen, maar dat verveelde mij al snel. Toen heb ik een tussenvorm uitgevonden. Dat zie je in Groetjes uit Brussel, een mengsel van verhaal, essay en vertoog. Zo ben ik doorgegaan. In al mijn romans zie je essayistische en filosofische passages en omgekeerd. In mijn essays vind je ook romanelementen. Ik heb de enige polemische roman geschreven die de Nederlandse literatuur rijk is. Dat was Het verzonkene, in zijn oervorm althans. Er heerst in dit land de terreur van de roman. Ik heb veel meer essays geschreven dan romans, maar die tellen niet echt mee, op De laatste deur na misschien. Dat is hoogst onrechtvaardig. Men denkt dat ik met Geheime kamers uit de as herrezen ben, maar ik heb nooit in de as gelegen. Tussen Zomervlucht en nu heb ik wel vijftien boeken gepubliceerd, die Feuilletons onder meer, maar daar is nauwelijks op gereageerd. Ik heb wel eens een essayprijs gekregen, de Dr. Wijnaendts Franckenprijs, maar dat leverde niets op. Een vetleren medaille, of zo.

Hoe verklaart u het succes van `Geheime kamers'?

,,Het is voor het eerst in mijn leven dat een roman vanaf het begin zo goed loopt. De beste roman van Jeroen Brouwers, zegt men. Ik vind het prima dat ze dat zeggen en ik ben er zelf ook erg tevreden over, maar in mijn hart weet ik dat ik nog betere heb geschreven. De toon is anders, luchtiger dan die van mijn andere boeken. De zondvloed schreef ik in mijn veertiger jaren. Dat was een boek waarin ik al mijn thema's, al mijn herinneringen en gedachten wilde samenbrengen. Hetzelfde zegt men nu over Mulisch' De ontdekking van de hemel; dat is ook zo'n totaalboek. Geheime kamers is een verhaal met een ontwikkeling en een pointe, een gebeurtenissenroman. Het zal wel toegankelijker zijn en het verhaal is spannend en avontuurlijk en het heeft nog een dramatische ontknoping ook.''

U wilde wel eens laten zien dat u ook een `gewone' roman kon schrijven?

,,Ik had inderdaad zin om eens een volstrekt ander, minder doorwrocht boek te schrijven. En ik heb er redelijk ontspannen aan gewerkt, al heb ik er wel vijf of zes jaar aan zitten pietepeuteren en kneden. Een roman schrijf je woord voor woord en zin voor zin. Ik had een situatie in mijn hoofd. Er wordt een vent belazerd door een gemeen wijf. Vervolgens ga je je afvragen waarom hij belazerd wordt. En zo onstaat er een romanfamilie, die je allemaal een karakter en een geschiedenisje geeft en een bepaalde manier van praten. Dat dochtertje heb ik niet van te voren verzonnen. Ineens was dat een mongool. Ik zweer het je. En toen bleek dat heel goed bij de situatie te passen. Dat in elkaar puzzelen van zo'n ding, dat is het avontuur van schrijven. Eigenlijk het enige aantrekkelijke dat er aan schrijven te verzinnen is.''

Hebt u een geheime bedoeling met uw boeken?

,,Nee. Ik heb niets te vertellen. De strekking van mijn vertelsels is pessimistisch, misantropisch zelfs. Het leven is zinloos en kloten, maar dat is niet mijn boodschap, daar hoef ik geen romans over te schrijven. Dat staat al in alle andere boeken. Het enige waarin ik geloof is zoiets als schoonheid. Mentale schoonheid. Mensen moeten streven naar een zo goed mogelijk karakter. Ze moeten oprecht zijn, elkaar niet bedriegen. Misschien hoop ik wel dat zoiets uit mijn boeken spreekt.

,,Voor mij is schrijven een dagtaak, zoals een journalist een dagtaak heeft, of een bakker, of de postbode. Ik schrijf, zoals een ander de brieven rondbrengt, en ik wijd me daaraan met veel discipline. Maar ik hoop ook dat ik daardoor mijn naam zal kunnen verlengen. Dat er na mijn dood mensen zullen zeggen: Brouwers, ja, dat was een schrijver. Dat is al genoeg. Ik heb hier het verzameld werk van Couperus in de kast staan. Denk je dat ik dat allemaal gelezen heb? Nee, natuurlijk niet. Maar ik kan wel uren over Couperus praten. Als er één titel van mij zou overblijven, dan zou ik al heel veel bereikt hebben.''

Hebt u één boek geschreven dat voor de eeuwigheid in aanmerking komt?

,,Dat weet ik niet. Ik ben wel eens bang dat mijn talent te klein is voor zoiets. Als je het hebt over eeuwigheid, dan heb je het over oeuvres als die van Vondel, Hooft en Huygens. En Hermans. Die namen blijven bestaan. Ik schrijf met volle ernst aan mijn boeken, maar ik weet zelf niet wat de literaire waarde ervan is. Altijd twijfelen hè, aan alles wat ik doe. Omdat ik nooit helemaal tevreden ben, ga ik altijd maar weer door. Het boek dat ik nu aan het schrijven ben, dat wordt beter dan het vorige. Dat is mijn drijfveer. Ooit hoop ik wel voldaan te zijn over het resultaat, met dat idee blijf ik schrijven, als een muis in een molentje.''

Jeroen Brouwers: Geheime kamers. Uitg. Atlas. Prijs f49,90