`Henry Miller bood me een greep op de werkelijkheid'

Arnon Grunberg leerde bladzijden van Millers `De kreeftskeerkring' uit het hoofd, om diens taal en pathos.

Vijftien jaar was Arnon Grunberg toen hij, in oktober 1986, een boek las van de Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980). Hij was met zijn toenmalige vriendin in Antwerpen geweest. Grunberg: ,,Zij had een Playboy gekocht – zelf durfde ik dat niet – waarin een stuk stond over Anaïs Nin, die geloof ik een relatie had met Miller. Zo kwam ik op het idee voor mijn spreekbeurt Nederlands een boek van hem te kopen. Ik ging naar de boekhandel en kocht op goed geluk De kreeftskeerkring. De eerste twee bladzijden in de Nederlandse vertaling van John Vandenbergh kende ik al snel uit mijn hoofd. Die beschouw ik als een beginselverklaring. Hier sprak iemand zoals ik zelf wilde spreken. Dat gevoel heeft mij nooit helemaal verlaten. Daarom ken ik die twee bladzijden ook nog altijd uit mijn hoofd.''

In De kreeftskeerkring, uit 1934, verhaalt Miller van de avonturen van een uit Amerika geëmigreerde schrijver, zijn alter ego, in het Parijs van de jaren dertig. Tijd en plaats, verbeelding en geheugen, waanzin en extase lopen door elkaar in een stijl die heen en weer slingert tussen vrije monoloog en surrealistische, groteske uitweidingen, die soms pornografisch van aard zijn. `Ongetwijfeld valt er volop verbittering in te beluisteren', schrijft Anaïs Nin in haar narede bij het boek, `maar men vindt er tevens een wilde buitensporigheid in, een krankzinnige vreugde, een vuur, een enthousiast waarderen van het leven en soms een bijna razende opwinding. Een voortdurend heen en weer schommelen tussen uitersten, met af en toe een kale vlakte die naar koper smaakt en een sterk aroma van leegte nalaat.'

De eerste bladzijden van Miller zijn hard, ontregelend en recht voor zijn raap – je begrijpt meteen waarom ze juist Grunberg zijn bijgebleven. `Ik ga voor je zingen, een beetje vals misschien, maar ik zing toch', citeert Grunberg. `Ik zing terwijl jullie kreperen, ik dans op je gore lijk.' ,,Dat lijkt me de taak van de schrijver: zingen terwijl jullie kreperen. Dansen op jullie gore lijk. Wat ook zo goed is: de toevoeging: `een beetje vals misschien, maar ik zing toch.' Hij weet dat hij af en toe vals zingt, maar hij zingt toch, tegen beter weten in. Op de volgende bladzijde legt hij uit waarom: `Ik wilde maar dat ik beter kon zingen, melodieuzer, maar dan had je misschien nooit naar me willen luisteren. Je hebt de anderen horen zingen en die lieten je koud. Die zongen te mooi, of niet mooi genoeg.' Aha, ook zingen is een evenwichtskunst. Net als schrijven. Net als het leven zelf. Goed leven, dat is het leven spelen, het leven creëren. Je moet een gooi doen naar het volmaakte. Miller was een middel, een manier om greep te krijgen op de werkelijkheid.''

Grunberg is er nooit in geslaagd het boek helemaal uit te lezen, maar dat vindt hij geen slecht teken. ,,De opening was zo krachtig, maakte zoveel indruk, dat de teleurstelling die daarop volgde er niet of minder toe deed. De kreeftskeerkring had wat ook de mindere films van Fellini kunnen hebben. Er zitten hier en daar prachtige fragmenten in, maar er lijkt geen sprake te zijn van een geheel waardoor de noodzaak om verder te lezen langzaam verdwijnt en je gaat bladeren. Een lezer moet nemen wat hij op dat moment nodig heeft. Het is niet alleen de schrijver die zichzelf en zijn omgeving leegzuigt, het is vervolgens ook de lezer die de schrijver leegzuigt of althans stukken van hem die lekker genoeg zijn.''

Miller had de naam een anarchistisch soort schrijver te zijn, die in alle opzichten had gebroken met welke religieuze, morele of filosofische waarden dan ook. Dat was niet wat Grunberg aantrok. ,,De bravourekant die Miller later tentoonspreidt spreekt mij nauwelijks aan. Neem de derde zin: `We zijn hier alleen en we zijn dood.' Dat is geen bravoure. Dat is een tamelijk gruwelijke vaststelling. Maar het mooie, het geniale van Miller is dat hij direct op die zin laat volgen: `Gisteravond kwam Boris tot de ontdekking dat hij dik onder de luis zat.' Dat is niet alleen humoristisch. Het is ook nog waar. Dus in vier regels vertelt hij ons dat we alleen zijn, dood, en ook nog eens onder de luis. En dat het ontluizen onverminderd voortgang moet vinden. Miller: `We hadden elkaar nooit zo intiem leren kennen, Boris en ik, als die luizen er niet waren geweest.' Dus luizen leiden tot intimiteit. Dit is een wereldbeschouwing, die toen de mijne leek te verwoorden. En die luizen, voor alle duidelijkheid, hebben niets met de zogenaamde zelfkant te maken of met de romantiek van die zelfkant. Wie het zo leest, leest mijns inziens verkeerd. Die zou straks ook nog denken dat ze echt dood zijn. Ik sluit niet uit dat Boris speelt dat hij luizen heeft. Hij heeft een excuus, een alibi nodig voor intimiteit. Boris is een weerprofeet. Dat geeft al aan dat we niet met een doorsneemens te maken hebben. Godzijdank. Ik lees geen boeken om gewone mensen tegen te komen. Die kan ik in de supermarkt ontmoeten.''

Korte zinnen, abrupte wendingen, absurde aforismen het was ook Millers taalgebruik dat Grunberg bewonderde. ,,De energie, de woede, de behoefte een eigen definitie van schoonheid en leven vast te stellen. En niet in de laatste plaats de manier waarop hij zijn zinnen achter elkaar zet. `We moeten in de pas, de paradepas, naar de kerker van de dood. Er is geen ontkomen aan. Het weer verandert niet.' Dat is pathos waar ik van houd. Ondanks de grote woorden die Miller gebruikt blijft zijn pathetiek ook nu nog overeind. Hij balanceert op het randje van het belachelijke, een opera op papier, maar doordat zijn zinnen zo helder zijn, ben je bereid met hem mee te gaan, zelfs als hij open deuren intrapt. Dat we dood gaan is een open deur, maar zoals hij die beschrijft geeft hij de kerker van de dood opeens grandeur. Geestig is hij ook, want hij doet voorkomen alsof de paradepas die we moeten afleggen naar de kerker van de dood de toestand van het weer is. Alsof we 's ochtends bij het ontbijt in het weerbericht kunnen lezen dat we misschien toch niet dood hoeven. Om dan in de volgende alinea verder te gaan met: `Het is nu de tweede herfst die ik in Parijs meemaak' is een sluwe oplossing. Dat heen en weer schakelen tussen de bijna groteske pathetiek en de nuchtere zakelijkheid van een dagboekaantekening houdt de lezer wakker. Je hebt niet te maken met de zoveelste sukkel die in Parijs is zonder te weten wat hij daar moet doen, hier spreekt iemand die in Parijs is omdat we op weg zijn naar de kerker van de dood. Gezien de tijd waarin hij dat schreef was dat trouwens een aardig profetische opmerking. Dat vind ik ook mooi aan dit proza, dat gejaagde, die gruwelijke haast, die kortademigheid, dat je het gevoel geeft dat er geen tijd te verliezen is, dat de kerker van de dood kan toeslaan voor het boek uit is.''

Henry Miller: De kreeftskeerkring. De Bezige Bij (uitverkocht)