Helaas, Bin Laden is geen prins

Het islamitische fundamentalisme is gericht tegen de moderne staat en daarom per definitie een modern verschijnsel, ondanks voorlopers zoals de middeleeuwse Assassijnen. Het zijn niet de armen die zich voor terreur laten recruteren, maar jongemannen uit de hogere middenklasse.

Het is bepaald nog niet zeker of de regisseur van de huidige oorlog tegen Amerika afkomstig is uit de fascinerende wereld van het internationale islamitische fundamentalisme. Er zijn nog steeds mensen die eerder aan de Grote Regisseur Saddam Hussein in Irak denken dan aan de onnozele vrome jongemannen die kennelijk zo graag voor de islam wilden sterven. Ook de recentste antrax-acties wijzen weer eerder in de richting van de steriele laboratoria voor biologische oorlogvoering van Irak dan naar de ruige grotten van Afghanistan.

Ook blijkt dat een van de uitvoerders van de acties, Mohammed Atta, in Tsjechië in contact te hebben gestaan met Iraakse terreurspecialisten. Toch wordt algemeen aangenomen dat de suïcidale uitvoerders islamitische fundamentalisten geweest zijn. Het is misschien maar goed dat de meeste mensen in het Westen zich niet goed kunnen voorstellen met welke middelen een moderne schurkenstaat mensen tot zelfmoordterrorisme kan aanzetten, en dat er daarom nagenoeg blindelings wordt geconcludeerd dat het wel om islamitische fundamentalisten zal gaan.

De belangstelling voor de ideologie van het islamitisch fundamentalisme en de islam is daarom groter dan ooit. Een tiental jaren geleden was dat anders. Er lopen nog steeds een handvol hoogleraren in Nederland rond die destijds in ernst betoogd hebben dat het islamitisch fundamentalisme niet bestond, en een verzinsel was van Arabisten dan wel islamologen die, bij gebrek aan serieus wetenschappelijk werk, de aandacht van de media probeerden te trekken. Het is leuk om deze geleerden nu op de Nederlandse buis te horen uitleggen wat er tegenwoordig met de islam en de moslims aan de hand is.

Een Duitse hoogleraar ging nog verder dan zijn Nederlandse collega's, en heeft zelfs driftig betoogd dat het Arabisch niet eens een woord voor fundamentalisme kende, en dat het verschijnsel daarom niet bestond. Als argument voor het bestaan of niet-bestaan van een zaak is het beschikbaar zijn van een woord geen sterk argument, denk aan de middeleeuwse eenhoorn. Het betoog van deze Duitse kenner van het Midden-Oosten wordt pas echt leuk voor wie zich realiseert dat het Arabische woord voor `fundamentalisme', usuliyya, toen al dagelijks in de Arabische dag- en weekbladen stond.

Het is de vraag of het voor het tot een goed einde brengen van de oorlog tegen Amerika wel nodig is om zich in de islam en het fundamentalisme te verdiepen. In de Tweede Wereldoorlog wezen de Duitsers een vage Germaanse mythologie aan die hen tot agressie tegen de rest van de wereld zou aanzetten. Zonder die mythologie te bestuderen, en zonder oud-Gothisch of oud-Noors te leren, hebben Churchill, Truman en Roosevelt deze oorlog gewonnen. Het zou misschien in de vroege jaren dertig wel nuttig zijn geweest om de toenmalige ideologie van Duitsland te bestuderen, maar ja, wie dat deed en daarover rapporteerde, werd al snel als een alarmist beschouwd. Toen de oorlog eenmaal begonnen was, overtrof de werkelijkheid alles wat de alarmisten voorspeld hadden. Het ziet er niet naar uit dat het nu anders is.

De huidige leiders van de VS en Groot-Brittannië willen de wereld ervan overtuigen dat zij geen oorlog voeren tegen de islam. In het Westen wordt dat wel geloofd, maar de islamitische wereld is een stuk minder goedgelovig. Daar zijn het wat dit aangaat niet allereerst Bush en Blair naar wie er wordt geluisterd, maar de islamitische godsdienstige leiders, de zogenoemde ulema. (In Nederland worden ze meestal `imam' genoemd, in Iran `ayatollah', en op de Balkan `hoca'. De legendarische Nederlandse oriëntalist Snouck Hurgronje noemde hen de `moslimse rabbijnen'). De ulema hebben zich tot op heden extreem voorzichtig, dan wel dubbelzinnig, dan wel helemaal niet uitgelaten over de vraag of het nu wel of niet om een oorlog tegen de islam gaat. Tot op heden zijn er geen gezaghebbende ulema geweest die ondubbelzinnig verklaard hebben dat de Amerikaanse tegenaanvallen inderdaad niet tegen de islam gericht zijn. Dat is geen goed teken.

Zijn dan alle moslims, en al hun officiële godsdienstige leiders, fundamentalist? Er lopen hier en daar waarnemers rond die dat denken, maar deze waarnemers vergissen zich, of ze definiëren `fundamentalisme' zo ruim dat elke gelovige er onder valt. Wie `fundamentalisme' definieert als `geloven dat de heilige tekst het letterlijke onfeilbare woord van God is' noemt daarmee feitelijk alle moslims fundamentalist, want alle moslims geloven dat de Koran inderdaad het letterlijke en onfeilbare woord van God is. Bij zo'n definitie is het woord fundamentalist haast betekenisloos geworden, nog afgezien van de overweging dat er duizenden, zo niet miljoenen, moslims zijn die de geloofswaarheden van de islam nog maar half geloven, maar die er geen zin in hebben de nieuwe Salman Rushdie te worden. Het zou, maar dit terzijde, goed zijn als zulke moslims hun mond open durfden te doen.

De enige zinnige definitie van fundamentalisme is `reductie van een brede godsdienstige traditie tot een specifieke ideologie die met geweld de verwezenlijking van een concreet doel nastreeft'. In het Israëlisch fundamentalisme is dat concrete doel de verdrijving van de Arabieren uit het bijbelse land. In het christelijk fundamentalisme is dat het herstel van Gods alleenbeslissingsrecht ten aanzien van het begin en het einde van het menselijk leven. In het islamitisch fundamentalisme is dat doel de stichting van een islamitische staat, die alle door God gegeven wetten van de islam daadwerkelijk toepast. In het licht van deze grote doelen is de onfeilbaarheid van de geopenbaarde heilige teksten een vanzelfsprekend en onbetekenend detail.

Wie met deze definitie werkt, ziet onmiddellijk dat niet alle christenen, alle joden of alle moslims fundamentalist zijn, maar dat het fundamentalisme een ideologie is die toch wel degelijk een al dan niet groot deel van de aanhangers van deze drie prachtreligies in zijn greep heeft. Waar dat op neer komt, en hoe het mogelijk is dat zulke grote groepen in die greep geraakt zijn, wordt in detail besproken door de Amerikaanse schrijfster over godsdienst Karen Armstrong in haar vorig jaar verschenen De strijd om God (besproken in Boeken, 31.3.00).

Dit boek is terecht een bestseller geworden. In het begin van haar boek zeurt Armstrong niet over definities van fundamentalisme, maar laat ze zien dat het betekenisloos is te spreken over fundamentalisme wanneer het element van het gretig gebruik van geweld ontbreekt. Dit is zeker na 11 september een belangrijk inzicht, omdat er nogal wat moslimse jongeren rondlopen, ook in Nederland, die zich enigszins naïef (maar daarom niet minder agressief) wensen te houden aan de fundamenten van de islam. In hun opvatting zijn dat de Koran en het voorbeeld van de Profeet Mohammed. Daarom, menen zij, zijn zij dus ook fundamentalist. Zolang ze geen geweld gebruiken, is dat niet zo. De jas van Osama bin Laden is eigenlijk wat te groot voor deze vrome jeugdige grappenmakers. Toch zouden hun uitlatingen hen wel degelijk in conflict kunnen brengen met het Nederlandse veiligheidsapparaat. Ook dat is weer niet helemaal onzin: wie eenmaal op grond van eigen inzicht en studie concludeert een fundamentalist te zijn, zou in zijn onnozelheid wel eens zo dom kunnen zijn mee te werken aan een fundamentalistische actie.

Er is, uiteraard, veel onderzoek gedaan naar de vraag wie er nu uiteindelijk recruteerbaar zijn voor fundamentalistische bewegingen. De communis opinio is zo langzamerhand dat het niet zo zeer de armen zijn die zich laten recruteren, maar de upper middle class, die, geconfronteerd met een keihard plafond, tot de conclusie komt dat er harde maatregelen nodig zijn om het leven leefbaar te maken. Ook Bin Laden is in zijn eigen land geen upper class, hij is wel miljonair, maar hij is geen prins. In Saoedi-Arabië betekent dat, dat zijn maatschappelijke rol heel beperkt uit kan vallen. Tegenover de leden van het regerende koningshuis past hem slechts nederigheid, en kennelijk gaat dat hem niet goed af. Bin Laden is effectief uitgesloten van het uitoefenen van serieuze invloed binnen de Saoedische maatschappij. Sneu voor hem, en ook voor het Westen. De ideologie die hij als wapen tegen die uitsluiting heeft ingezet, is het islamitische fundamentalisme.

Karen Armstrong behandelt in detail de bewegingen en stromingen binnen het jodendom, de islam en het christendom, die als voorlopers van het moderne fundamentalisme kunnen worden beschouwd. Ze laat duidelijk zien dat het fundamentalisme een grootscheeps verzet tegen de moderne tijd en de moderne staat is. Daarom is het, net als die moderne tijd en de alomtegenwoordige, almachtige, alwetende moderne staat, iets nieuws. Ook dat is actueel. Zo nu en dan mompelen ervaren diplomaten dat het allemaal niets nieuws is, zij hebben het al vele malen gezien, en dankzij hun grote eruditie, menen ze zelf, kunnen ze desgevraagd nog wel een voorbeeld van fundamentalisme uit de twaalfde of dertiende eeuw leveren ook, mocht een verontruste minister of een bezorgd Kamerlid daarom vragen. Impliciet in dat verhaal is dat de wereld sinds de twaalfde en de dertiende eeuw gewoon heeft doorgedraaid, en dat ook na de Eerste Fundamentalistische Oorlog dat heus ook wel weer het geval zal zijn. Niks aan de hand dus.

Dat is niet het geval, er is wel wat aan de hand. Het moderne leven en de moderne welvaart zijn, hoe je het ook keert of wendt, niet mogelijk zonder de moderne staat. Een godsdienstige beweging die zich richt op de vernietiging van die moderne staat kan, per definitie, nooit dateren van voor de uitvinding van de moderne staat. Zo'n beweging is doodgewoon iets nieuws, hoe vervelend dat ook is voor diegenen die hoopten dat de bijbel het bij het rechte eind had met de tekst: `Er is niets nieuws onder de zon'. Die nieuwe beweging gebruikt nieuwe strijdtechnieken, en moet dus ook met nieuwe middelen bestreden worden.

Fundamentalisme en retoriek gaan nauw samen. Uitspraken en teksten van fundamentalisten zijn dan ook bij uitstek voer voor taalkundigen. Het is indrukwekkend te zien hoe Armstrong tientallen, vaak deels taalkundige, detailstudies over fundamentalistische leiders, bewegingen en documenten in elkaar heeft weten te passen, en hoe ze daar eigenlijk nooit bij heeft misgegrepen. Haar boek is natuurlijk een secundaire studie, maar ze baseert zich op een goed geselecteerd scala van primaire bronnen en geeft blijk van een haast feilloze intuïtie en echte geleerdheid.

Wie zich in de schaduw van de gebeurtenissen van 11 september bezighoudt met het fundamentalisme, moet om tot een evenwichtig oordeel te komen de hoofdstukken van Karen Armstrong over het christendom en het jodendom niet overslaan, ook al is wat ze over de islam schrijft natuurlijk relevanter. De ideologie van de islamitische fundamentalisten, zoals die uit dit boek en uit andere boeken, naar voren komt, is van een aantrekkelijke eenvoud. De mens moet leven naar Gods wil. Gods wil is de islamitische wet. Zonder islamitische regering worden de islamitische wetten niet toegepast, net zo min als de Nederlandse wet zou worden toegepast wanneer er geen Nederlandse regering bestond. Er moet dus gestreden worden tegen de bestaande regeringen met het doel de zittende regeringen te vervangen door islamitische regimes, die zo nodig met geweld de totale en complete toepassing van Gods eigen wetten, de wetten van de islam, zullen afdwingen.

Niet-moslims moeten daar niet over zeuren: nu leven de moslims onder niet-islamitische wetten, en straks worden de rollen omgedraaid, dan leven niet-moslims onder moslimse wetten. Altijd beter dan de wetten van de heidense Romeinen waaronder het christendom zo heeft gefloreerd en is gegroeid. Regeringen die de islamitische wetten weigeren toe te passen, wijzen de islam af, en wanneer een moslim de islam afwijst, gaat het weer om afval van de islam, waarop de doodstraf staat. Het is niet ingewikkeld om deze oorlogstheologie te begrijpen. Het verhaal van het fundamentalisme, zoals Armstrong dat vertelt, wekt bij de lezer eigenlijk wel enig begrip op voor inherente logica van het gedachtegoed van de fundamentalisten.

Armstrong kan zich een milde, begripsvolle toon veroorloven omdat ze, al dan niet tussen de regels, weigert begrip op te brengen voor moord en doodslag. Het fluweel van haar begrip verbergt de ijzeren vuist van een absolute afwijzing van moord in het belang van `iets hogers'.

Dat het verkeerd is mensen te doden voor een al dan niet vermeend hoger belang, is, uiteraard, een beschaafd standpunt, maar de juistheid ervan kan niet net zo makkelijk bewezen worden als de regels van de algebra. Precies hier ligt voor de islam een probleem. De theoretische eisen van de islamitische wet willen immers dat wie uit de islam treedt, gedood wordt, en dat er namens de islam oorlog wordt gevoerd tegen de ongelovigen. En het is bekend, bij oorlogen vallen doden. Ook al hebben veel moderne moslims op zijn zachtst gezegd grote moeite met deze doodstraf, en met de jihad-plicht, het is wat dit betreft nog steeds even wachten op de overeenstemming van de islamitische godsdienstige leiders, die de preekstoelen in de moskee bemannen. En van hen zal het toch moeten komen. Zij zijn degenen die het vertrouwen van de gewone gelovigen genieten.

Nog voor de gebeurtenissen van 11 september is het klassieke boek van Bernard Lewis over de middeleeuwse Assassijnen herdrukt, met een speciaal nieuw voorwoord, gedateerd op januari 2001. Lewis was de eerste die in het midden van de jaren zeventig de opleving van de islam waarnam, die uitliep op wat wij nu het fundamentalisme noemen. Bernard Lewis is als Arabist, islamoloog en Turkoloog een legende. Hij is nu diep in de negentig, en wie zo lang leeft en zo veel schrijft, maakt uiteraard ook wel eens een fout. Maar zijn scherpe blik op wat er in het Midden-Oosten omgaat is al bijna een eeuw lang onovertroffen.

Kortgeleden was Bernard Lewis nog op de Turkse televisie te zien, ook op het in Nederland via de kabel te ontvangen TRT, terwijl hij ongeveer een uur lang aan de Turkse kijkers uitlegde waarom de scheiding tussen kerk en staat zulke grote voordelen biedt. Het was voor Nederlandse kijkers naar dit televisiecollege interessant om de houding van Lewis'interviewer te observeren. Die was zo onder de indruk dat hij tegenover de grote man zelf zat, dat hij bijna niet meer uit zijn woorden kon komen. Adembenemend.

`Assassijnen' is de naam die in het Westen in gebruik is geraakt voor een vertakking van een sji'ietische sekte in Syrië. Het gaat om de Nizâriyya, een onderafdeling van de Ismailieten. Kruisvaarders brachten de naam `assassijnen' naar het Westen. De veelgelezen ontdekkingsreiziger Marco Polo (rond 1300) vertelt over hen dat zij met behulp van drugs – die een voorproefje van het paradijs gaven – hun aanhangers ertoe wisten te verleiden zelfmoordaanvallen uit te voeren. Het werd in het Westen graag geloofd. Bernard Lewis' boek, oorspronkelijk een proefschrift uit 1939, herschreven in 1967 en in die versie vele malen vertaald en herdrukt, zowel in het Westen als in de islamitische wereld, probeert waarheid en verzinsel van elkaar te scheiden.

In het nieuwe voorwoord van The Assassins. A Radical Sect in Islam wijst Lewis op de verschillen en overeenkomsten tussen de hedendaagse terroristen die in naam van de islam opereren, en de middeleeuwse Assassijnen in Libanon en Syrië. Beiden hebben vooral slachtoffers onder hun eigen geloofsgenoten gemaakt, maar worden en werden in de buitenwereld vooral gevreesd omdat ze slachtoffers maken en maakten onder buitenstaanders. Beiden gebruiken zelfmoordcommando's. Beiden gaat het om macht. De belangrijkste les die we uit het verhaal van de oude Assassijnen moeten trekken, aldus Lewis in 2001, is `their final en total failure'. Voor wie de strijd tegen Bin Laden en de zijnen vreest, is dat een geruststellende gedachte. Maar misschien gaat het bij de oorlog tegen Amerika wel helemaal niet, zoals bij de Assassijnen, om strijd tegen een groep excentrieke vrome mannen die de bestaande orde diepgrondig haat. Misschien gaat het wel gewoon om een gewone oorlog tussen twee staten. Om, bijvoorbeeld, een oorlog tussen de Verenigde Staten en Irak waarbij de moderne assassijnen van Osama bin Laden slechts pionnen zijn.

Bernard Lewis: The Assassins. A Radical Sect in Islam. Weidenfeld & Nicolson, 176 blz. ƒ66,85

Karen Armstrong: De strijd om God.

Een geschiedenis van het fundamentalisme. De Bezige Bij, 493 blz. ƒ29,90.

Een interview met Armstrong over islam en fundamentalisme is te lezen in web-magazine www.salon.com