Gewetensvol in de wanorde staan

De Engelsman Tim Parks is uitgegroeid tot een van de opmerkelijkste schrijvers van het moment. Ook in zijn literaire kritieken probeert hij secuur de relatie tussen schrijver en wereld te verhelderen.

Van te veel hedendaagse Engelse schrijvers verliest het werk met iedere nieuwe roman aan diepte en kracht, maar in het geval van Tim Parks geldt het omgekeerde: van een bedreven, maar onopvallende auteur van een reeks wrange komedies over verknipte families heeft hij zich de laatste jaren ontwikkeld tot een van de interessantste Engelse romanciers van dit moment, met als hoogtepunt zijn laatste roman Destiny (1999).

In zijn recente werk zoekt Parks aansluiting bij de Europese literaire traditie – hij woont sinds jaar en dag in Noord-Italië en heeft een groot aantal literaire vertalingen uit het Italiaans op zijn naam staan, waaronder de boeken van Roberto Calasso – en slaagt hij erin de lichte, typisch Angelsaksische toon van psychologische thrillers als Cara Massimina en zijn autobiografisch gekleurde Italië-boeken (Italian Neighbours) een diepere, existentiële resonans te geven.

Datzelfde geldt voor zijn literaire essays, die regelmatig verschijnen in vooral The New York Review of Books, en waarvan hij er nu een flink aantal heeft samengebracht onder de titel Hell and Back. De toon van deze stukken is los en conversatieachtig, maar de auteur is wel degelijk op zoek naar essenties. De auteurs die Parks tot onderwerp neemt, staan met minstens één been buiten de Angelsaksische literaire traditie, en meestal met twee: Beckett en Henry Green, Borges, Montale, Svevo, Dante, Verga, Buzzati. Voor Parks spreken deze auteurs niet voor zich. Zijn eigen positie als buitenstaander geeft hem de gelegenheid ze met een frisse blik te benaderen. Met hoeveel kennis van zaken deze essays ook geschreven zijn, hoe zelfverzekerd de toon ervan ook is, ze worden tegelijk gekenmerkt door het enthousiasme van een recente kennismaking.

Andere taal

Die buitenstaanderpositie heeft nog een ander voordeel: Parks' werk als vertaler maakt hem gevoelig voor de culturele context van de literaire teksten waarover hij schrijft, de veelzeggende verschillen die onherroepelijk ontstaan wanneer een tekst in een andere taal wordt omgezet. Door die verschillen tegen het licht te houden, wordt veel duidelijk: over de cultuur waaruit de schrijver ervan afkomstig is, maar ook over de betekenis van de oorspronkelijke tekst zelf. Een rode draad in Hell and Back is Parks' eigen hang naar de grootst mogelijke precisie in literaire vertalingen. Anderzijds is er het besef dat het vertalen zelf een onzekere zaak is en vrijwel altijd tot misverstanden leidt; een literaire tekst komt eigenlijk alleen volledig tot zijn recht in de taal waarin hij geschreven is.

Geen ambivalentie om wakker van te liggen, lijkt het, en net als in zoveel vertalers schuilt ook in Parks een onverbeterlijke schoolmeester – maar bij Parks voert die ambivalentie rechtstreeks naar de gespleten kern van zijn schrijverschap. In het essay over de drie schrijvers wier naam onlosmakelijk met de Italiaanse stad Triëst is verbonden, James Joyce, Italo Svevo en Umberto Saba, stuit hij op het Italiaanse begrip coscienza, dat zowel geweten als bewustzijn kan betekenen. Het is Saba die in een poëtisch manifest de coscienza tot toetssteen van iedere dichter maakte, de morele plicht om niets te schrijven wat niet werkelijk diep gevoeld is. Parks: `Vandaar de met veel inspanning verkregen precisie van zijn taal, die zo moeilijk te vertalen is.'

Maar Svevo, de auteur van La coscienza di Zeno, lijkt er juist op uit de onmogelijkheid van een dergelijke oprechtheid aan te tonen. `Alles wat zijn held zich voorneemt wordt ogenblikkelijk verdrongen door een hang naar het tegenovergestelde, iedere neiging wordt dwarsgezeten door een moreel bewustzijn.' De taal zelf is allesbehalve een precies instrument, dat zich bij uitstek voegt naar de verdraaiingen van ons eigen bewustzijn. En dan is er nog Joyce, met zijn stream of conciousness, die zich op amorele wijze laat meevoeren met de stroom van zijn gedachten en de taal.

Dodelijke bespreking

Alle drie opvattingen over coscienza vind je terug bij Parks zelf. In een dodelijke bespreking van The Ground Beneath Her Feet veegt hij op uiterst precieze wijze de vloer aan met de geïnflateerde woordkunst en morele achteloosheid van Salman Rushdie. In een ander stuk rekent hij af met de genoeglijke, maar niet werkelijk doorvoelde romantiek in het werk van Vikram Seth. Verbaal vuurwerk en sentiment is niet genoeg; een schrijver moet de kern van ons innerlijke leven zo dicht mogelijk benaderen, `onze intiemste en raadselachtigste ervaringen' zo scherp mogelijk aan het licht brengen. Daar gaat het Parks om bij de auteurs waarover hij schrijft. Het verklaart ook de steeds groter wordende ambitie in zijn werk.

Tegelijk verkeren al zijn eigen hoofdpersonen in een staat van tragikomische morele verwarring die hen verwant maken aan Svevo's held. Parks' latere helden zijn meesters in zelfbedrog, die zich gevangen weten in hun eigen hoofd en zich op de tast een weg zoeken door hun eigen gedachten. Eenduidigheid is onmogelijk. Telkens opnieuw struikelen ze over hun eigen gedachten en impulsen. Die fundamentele onzekerheid vindt Parks terug bij modernistische meesters als Joyce en Borges, maar ook bij Dino Buzzati en de chronisch onderschatte Engelsman Henry Green.

In een mooi, verhelderend stuk over de Australische schrijfster Christina Stead noemt Parks Letty Fox: Her Luck de eerste roman waarin de catharsis plaatsvindt door middel van uitputting; in een wereldbeeld als het onze, dat blijvende harmonie en verlossing uitsluit, stoten mensen zich zo aan dezelfde steen, dat ze er op een gegeven moment bij neervallen of er eenvoudigweg mee ophouden. Er is niets opgelost, maar heel weinig helder geworden, maar er is wel sprake van berusting – uit pure vermoeidheid. Het wordt hun letterlijk allemaal te veel. Dat is wat veel personages in bijvoorbeeld het werk van Thomas Bernhard overkomt, en ook die in het latere werk van Parks zelf.

Hell and Back gaat over literatuur, maar het gaat bij Parks vrijwel altijd ook over de wereld; de consciëntieuze manier waarop schrijvers proberen de relatie tussen die wereld en henzelf te doorgronden. Het besef dat die relatie aan voortdurende veranderingen onderhevig is en in laatste instantie ongrijpbaar blijft, maakt de hele onderneming alleen maar noodzakelijker. Dit is een steen waaraan je je moet blijven stoten; zodra je bij de pakken gaat neerzitten, is alles verloren.

Tim Parks: Hell and back. Selected essays. Secker & Warburg, 341 blz. ƒ70,85 (geb.), ƒ37,50 (pbk)