Europa, dat is nu vóór alles Parijs-Londen-Berlijn

De toekomst van Europa moet niet meer op de Frans-Duitse as worden gebouwd, maar op de driehoek Parijs-Berlijn-Londen, vindt Mark Eyskens. Daarbij is van belang dat Groot-Brittannië volledig meedoet aan het monetaire overleg.

Het onderonsje van Tony Blair, Jacques Chirac en Gerhard Schröder, dat een week geleden in Gent plaatsvond, uitgerekend een paar uur voor de bijeenkomst van de Europese top onder Belgisch voorzitterschap, maakte duidelijk wie in de Europese Unie de belangrijke beslissingen neemt, als het ernst wordt. De Belgische premier, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de EU, werd niet eens uitgenodigd. En de beslissing van de drie groten om de Amerikaanse actie in Afghanistan te steunen, ook militair, holde de agenda van de EU-top grotendeels uit.

Het optreden van het Brits-Frans-Duits directorium mag dan irritant en zelfs kwetsend overkomen, verwonderlijk is het niet. Het buitenlands en defensiebeleid is intergouvernementeel, berust op de eenparige consensus van alle lidstaten en de defensie-uitgaven blijven nationaal. De aangekondigde rapid reaction force (60.000 man) is nog steeds niet opgericht. Inzake buitenlands beleid wordt de EU vertegenwoordigd door een rondtrekkende vijfvuldigheid bestaande uit de ministeriële trojka, de hoge vertegenwoordiger (Javier Solana) en de commissaris bevoegd voor het buitenland (Chris Patten). Wat zouden de geloofwaardigheid en besluitvaardigheid zijn van president Bush, indien hij zijn beslissing om Afghanistan te bombarderen vooraf had moeten laten goedkeuren door de gouverneurs en parlementen van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten? Dat is ongeveer de toestand in Europa en die zal er niet op verbeteren wanneer de EU zal bestaan uit 20, 25 of 30 lidstaten.

De first best-oplossing is uiteraard de uitbouw van een echte federale unie met een regering, een volwaardig Europees Parlement en zelfs een verkozen Europese president, in een open en multiculturele gemeenschap. Dit toekomstbeeld ligt echter verder af dan ooit. Jacques Delors spreekt van een Fédération des Nations, wat wellicht een contradictie is. En tussen droom en daad staan talrijke praktische bezwaren. Die van de nationale vendelzwaaiers, de `pure cultuur'-kampers, de eigen-volk-eersters, de protectionisten van de zelf gebakken koekjes, de goed bedoelende en slecht redenerende antiglobalisten, de bazelaars rond de opdrogende dorpspomp. Europa zal nog jarenlang in materies die te maken hebben met de nationale soevereiniteit – zoals defensie – een confederatie blijven van nationale staten. Het is bovendien een grote illusie te menen dat men een Europees geïntegreerd buitenlands beleid kan voeren zonder geïntegreerd defensiebeleid, waarvoor niemand wil betalen in de kleinere landen. Zijn Britten en Fransen trouwens bereid de trekker op hun atoomwapen te delen met de zwetende wijsvingers van de overige 13, 20 of 27 lidstaten van de EU? De vraag is retorisch.

Het feit dat de essentiële diplomatieke en militaire beslissingen voor Europa genomen worden door een `de facto'-directorium van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland is een second best-oplossing, bij gebrek aan alternatieven. Voor Europa is het immers beter geleid en getrokken te worden door een driespan, dan dat de Unie zou gaan lijken op een koets die bij gebrek aan paarden leeg langs de weg achterblijft. In een EU van 25 of 30 lidstaten zal het belang van de drie grote mogendheden nog toenemen, tenzij de kleinere leden erin slagen zich te groeperen in zoiets als de Benelux. Maar de Benelux is de jongste jaren wel erg schuchter langs de Europese muren gaan schuren.

De Belgische premier Verhofstadt betoogt dat hij op de intergouvernementele conferentie in Nice in december 2000 de invloed van de kleinere lidstaten heeft weten te vergroten. Dit is maar zeer ten dele waar. De drie grote lidstaten kwamen immers naar buiten met nagenoeg een vetorecht, want elke beslissing van communautaire aard, waarvoor niet de eenparigheid maar de gekwalificeerde meerderheid geldt, kan voortaan door hen in de Europese ministerraad worden geblokkeerd, als blijkt dat 38 procent van de Europese bevolking met het voorstel niet akkoord gaat. Het is geen toeval dat Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk samen ongeveer 41 procent van de inwoners van de EU tellen. Het feitelijk directorium van de drie grote mogendheden wordt ook versterkt omdat de VS blijkbaar enkel met hen echt rekening houden (vooral met het Verenigd Koninkrijk) en zeker niet met de kleine landen.

Amerika is bijzonder ontgoocheld over de onsamenhangende en wankelmoedige houding door de EU aangenomen in ex-Joegoslavië, nochtans bij uitstek de achtertuin van Europa. Daarbij kwam dat in veel Europese landen de linkerzijde protesteerde tegen de NAVO-bombardementen op Servië, al is achteraf gebleken dat deze harde aanpak de enige mogelijkheid was om dit land te bevrijden van de gruwelijke Miloševic-dictatuur. De Amerikaanse perceptie is dat in Europa pacifisme vaak wordt verward met passiviteit. Als antiglobalistische manifestanten in Gent spandoeken ronddragen waarop te lezen staat: ,,weg met de terreur van de markt'' en ,,kapitalisme is terrorisme'', dan leidt de argeloze lezer hieruit gemakkelijk af dat de Amerikanen op 11 september gekregen hebben wat ze allang verdienden. De moeizame aanvaarding door het Belgisch kabinet van het NAVO-solidariteitsmechanisme van artikel 5 is voor buitenlandse waarnemers een bewijs van problematische betrouwbaarheid, wat het prestige van het Belgische voorzitterschap ondermijnt.

De leden van het directorium daarentegen, vooral dan Groot-Brittannië en Duitsland, zijn voor de VS de onlosmakelijke bondgenoten en de Fransen hebben begrepen dat ook voor hen die houding de enig mogelijke en politiek rendabele is. Voor een kleine lidstaat, vooral als die het voorzitterschap uitoefent, zijn de relaties met de drie groten binnen de EU dialectisch lastig. De groten van het directorium, hebben in domeinen die intergouvernementeel zijn, zoals defensie, waar gekwalificeerde meerderheden en `versterkte samenwerking' uitdrukkelijk zijn uitgesloten, onvermijdelijk de neiging, ook door de druk van de omstandigheden, een politiek van het voldongen feit te voeren.

In de Verklaring van Laken, die na de EU-top van december zal worden uitgegeven, moet naast een hint naar institutionele versterking (waarvoor de aandacht evenwel erg is geslonken), vooral aandacht worden besteed aan datgene waarover meestal niet gesproken wordt. Europa is gedurende vijftig jaar opgebouwd rond de Frans-Duitse verzoening en de as Parijs-Bonn, ook een vorm van (duopolistisch) directorium. Na het einde van de Koude Oorlog en de hereniging van Duitsland is de as Parijs-Berlijn veel minder richtinggevend en evenwichtbrengend, omdat Duitsland vooral oostwaarts kijkt. De toekomst van Europa moet niet meer op een as worden gebouwd, maar op een driehoek: Parijs-Berlijn-Londen. Op militair gebied en dus op het vlak van het buitenlands beleid zullen de kleinere lidstaten hun politiek op die van de drie groten moeten afstemmen.

Van essentieel belang voor de EU is echter dat Groot-Brittannië zich aansluit bij de huidige monetaire unie van twaalf lidstaten, via een formule die ook voor Blair toenadering sterk vergemakkelijkt: de Britten zouden zitting moeten hebben in alle beleidsorganen van de monetaire unie, terwijl ze tijdelijk het Britse pond mogen behouden (belangrijk voor de relaties met de Commonwealth). Wel zou de voorwaarde moeten worden gesteld dat dan een vaste wisselkoersverhouding tussen de euro en het pond wordt ingevoerd.

Het Belgisch voorzitterschap zou over dat idee tenminste de partners aan de tand kunnen voelen. Het is immers via het monetaire en het economische, vooralsnog niet via het militaire en het buitenlandbeleid, dat Europa onomkeerbaar zijn eenheid moet smeden.

Mark Eyskens is oud-minister van Buitenlandse Zaken van België en minister van Staat.