Beest van een boek

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieke boeken deze week `Moby Dick' van Herman Melville

(uit het Engels vertaald door Emy Giphart, Contact, 639 blz. ƒ49,90)

Het staat er echt. Moby Dick, dat beest van een boek, is nog maar een paar bladzijden oud als de verteller (`Noem me Ismael') ons in zijn typerende, bijbelse taal probeert uit te leggen waarom hij voor de walvisjacht koos. `Ongetwijfeld vormde mijn vertrek ter walvisvaart een onderdeel van het grote programma der Voorzienigheid dat lang geleden reeds was opgesteld', probeert hij. Om dan te vervolgen: `Ik veronderstel dat dit deel van het programma ongeveer zo moet hebben geluid:

``Grote Verkiezingsstrijd om het Presidentschap der Verenigde Staten'.

``Walvisvaart door ene Ismael'.

``Bloedige strijd in Afghanistan'.'

Ze staan er echt, de twee opmerkelijkste gebeurtenissen in de westerse wereld van het afgelopen jaar. In die volgorde, 150 jaar voor ze zouden plaatsvinden. De moderne lezer hoeft dan ook geen bijgelovige ziel te zijn om in het vervolg, als de jacht van kapitein Ahab (Achab, in de vertaling van Emy Giphart) op de witte walvis zich ontrolt, een parallel te zien tussen Moby Dick en de situatie in de huidige wereldpolitiek. Het past te mooi. Achab, die ooit zijn been verloor in gevecht met Moby Dick en zich sindsdien voornam de walvis te doden, is precies George Bush. Vul voor Moby Dick Bin Laden in en je hebt een toekomstvoorspelling waarbij Nostradamus zijn vingers af zou likken.

Gelukkig bewijst de rest van Moby Dick dat Melville maar een beperkt talent had voor sterrenwichelarij. Wat wil je met een boek dat naast mythe en queeste ook een grote lofzang is op de `eeuwige' walvisvaart. Ismael, tot dat moment louter bekend met de koopvaardij, wordt in het boek steeds verliefder op de walvisjacht. Van de 135 hoofdstukken van Moby Dick gaan er zeker veertig louter over zaken als het `afspekken van de walvis', de wijze waarop het harpoentouw zich afwikkelt in de walvissloep, en worden er vele, lange beschouwingen gewijd aan de walvis zelf, zijn fysionomie, zijn vinnen, zijn spuit, zijn spek. In dat opzicht is Moby Dick niet bepaald voorspellend de herinnering aan de ware walvisjacht is tegenwoordig voorbehouden aan wat nostalgische Noren, Japannners of Inuit.

Toch zijn al die technische, op het eerste gezicht tamelijk overbodige kwesties onmisbaar in Moby Dick, ook voor de moderne lezer. Want ze dragen allemaal bij aan de kracht van de mythe die Melville opbouwt.

De kern van die mythe is de witte vlek, het wit gat, de witte walvis. Iedere beschrijving die Ismael geeft, al zijn uitweidingen, iedere schijnbare overbodigheid, zijn uiteindelijk pogingen om de essentie van de witte walvis te vangen. Maar het enige wat ze doen is het gat groter maken, en daarmee Moby Dick mythischer. Dat verklaart ook waarom Moby Dick nauwelijks een zeevaartroman is. Ismael wenst zich niet te verliezen in alledaagse beschrijvingen van het leven aan boord van de Pequod. We leren zijn collega-matrozen nauwelijks kennen, hij verliest zich niet in gebabbel over scheepsvetes, over eten of middelmatige nachtrust. Het hele verhaal van Ismael is één grote poging om de ongrijpbare walvis alsnog te vangen in zijn verhaal, om een net van harpoentouw om hem heen te spannen en daarmee goed te maken wat Achab en de bemanning van de Pequod niet lukte. En zo wordt Moby Dick, juist doordat Ismael, zeker in het middendeel nauwelijks aandacht aan hem besteedt, steeds groter, god en de eeuwigheid, noodlot en wereldraadsel, Bush en Bin Laden. Ze worden allemaal verenigd in die ene walvis en glippen je uit de vingers.

Juist omdat Moby Dick nog niets aan kracht heeft ingeboet is het spijtig dat deze Contact-uitgave, nota bene in de Amerikaanse Bibliotheek, nogal wat slordigheden bevat. Cursieven (zoals in het voornoemde verkiezingencitaat) en aanhalingstekens zijn weggevallen, er staan te veel zetfouten in, en het is me ook een raadsel waarom Melvilles opdracht aan zijn collega en buurman Nathaniel Hawthorne deze editie niet heeft gehaald. Zulke slordigheden zijn het boek niet waardig. Aan de andere kant zijn ze ook geen reden om deze hernieuwde mogelijkheid om Moby Dick te lezen te laten lopen. 150 jaar na publicatie is Moby Dick nog steeds een genot. En actueler dan ooit.