Anna, Johanna, Angelika, Barbara

Op een dag in 1909 ligt er bij het postkantoor, tevens dorpswinkel, in het Oostenrijkse gehucht Rosenau een kaart gericht aan `Anna Fink'. In de kleine gemeenschap worden de bewoners niet aangeduid bij een achternaam, maar draagt iedereen een unieke bijnaam waaruit kan worden afgeleid wiens kind men is en op welke boerderij men thuishoort.

De kaart gaat van hand tot hand, totdat uiteindelijk Peters Anna, van de Bengathoeve, het op zich neemt om de onbekende schrijver te antwoorden. Na lang aarzelen schrijft ze met ongeoefende vingers het volgende: `Ik ben opgegroeid op de Stroombochthoeve in Rosenau. Dat was een jaar of wat terug, voor mijn ouders stierven en mijn zuster Rosa en haar man de boerderij overnamen en ik uit huis trouwde, de berg op. Het huis daar staat al leeg sinds de dood van Rosa en haar man. De hooilanden zijn nu verpacht. Ik woon op Bengat met mijn man en zijn familie en mijn eigen kinderen. Ik ben een boerenvrouw en verder niets. Uw kaart is heel mooi, maar hij komt mij niet toe.'

Anna's briefkaart vat in een paar korte zinnen kernachtig het bestaan in het boerendorp samen: het leven aan de Stroombocht draait om de familie en de boerderij. Hofstede lijkt soms bijna een streekroman, met het generaties lang voortkabbelende dorpsleven en de soms bijna té zoete sfeertekening van de eerste sneeuw op de Alpenflanken. Lippi bewijst alle eer aan het beeld van het arcadische Oostenrijk waar jonge meisjes met vlechten blootsvoets de kuddes hoeden. Maar uit de portretten van twaalf vrouwen die Rosina Lippi schetst, gaat achter het landelijke, onbedorven Oostenrijk echter een werkelijkheid schuil die niet past op de achterkant van een ansichtkaart.

Lippi's vertelling begint in 1909 en eindigt in de jaren zeventig. Ook in de beschutte agrarische gemeenschap heeft de woelige twintigste eeuw tegen die tijd zijn sporen nagelaten. Dat Lippi in Hofstede alleen vrouwen aan het woord laat, lijkt volkomen vanzelfsprekend: het zijn de vrouwen, moeders, geliefden, dochters, die de boerderijen draaiende houden tijdens de periodes dat de mannen afwezig zijn – en die komen vaak voor. Veel mannen zijn soldaat en sneuvelen, of keren gewond terug.

Lippi probeert in Hofstede geen afgerond verhaal te vertellen. De vrouwen komen elk aan het woord en met elk verhaal is de klok weer een aantal jaren versprongen, soms twee jaar, soms vijftien jaar. Door die grote tussenpozen ontvouwen de levens zich als een ontluikende bloem in een versneld afgespeelde film. Het verbindende element tussen de verhalen is datgene wat ook de kleine boerengemeenschap bijeenhoudt: familiebanden, geheimen, kleine vetes.

Door het perspectief over de twaalf sterk verschillende vrouwen te verspreiden, zonder een andere rode draad aan te brengen dan het gemeenschappelijke bestaan in het kleine dorp, creëert Lippi een fraai geschakeerd beeld. Soms blijkt een vertelster de schoonmoeder of dochter van een vrouw die eerder aan het woord is geweest, soms duikt ze in het verhaal van weer een andere vrouw alleen zijdelings, als een bijfiguur, op. Door deze vanzelfsprekende samenhang komt de gemoedelijke, wat trage sfeer van Rosenau, waar pas in de jaren veertig de eerste auto zich liet zien en waar begin jaren zeventig nog niet eens elektriciteit of telefoon was, goed tot zijn recht.

Lippi die onder de naam Sara Donati reeds twee romans heeft gepubliceerd beziet de kleine dorpsgemeenschap met de milde, geamuseerde blik van de buitenstaander. Het beschaafd geschreven Hofstede waarin opmerkelijk veel liefdevolle aandacht aan de details van het boerenbedrijf wordt gewijd, mist de voor Oostenrijkse auteurs zo kenmerkende scherpe kritiek op de Oostenrijkse burgerlijkheid.

Die milde toon laat zich ook uit de ontstaansgeschiedenis van het boek verklaren. Lippi heeft de verhalen verzameld tijdens gesprekken met vrouwen waar ze jarenlang kind aan huis was. Haar fascinatie voor het Oostenrijkse district Vorarlberg begon toen ze er als scholiere op een uitwisseling terechtkwam. Vervolgens schreef ze haar proefschrift over het plaatselijke dialect en werkte jarenlang aan Amerikaanse universiteiten, totdat ze zich geheel op het schrijven van fictie besloot toe te leggen. Hofstede was mede het resultaat van de interviews die Lippi de bewoonsters afnam om hun dialect op de band te kunnen opnemen.

De verhalen van Anna, Johanna, Angelika, Barbara en hun dorpsgenotes zijn niet wereldschokkend, maar bieden wel een herkenbaar beeld van het dagelijks leven in de twintigste eeuw. Tijdens deze gesprekken gaven de vrouwen hun geheimen prijs en legden ze de draden bloot waaruit Lippi haar roman heeft gesponnen.

Rosina Lippi: Hofstede. Vertaald uit het Engels door Mea Flothuis. De Arbeiderspers, 231 blz. ƒ36,95