Al het absurde is normaal

Het is verleidelijk om je, bij het lezen van Arthur Bradfords verhalen in zijn debuutbundel Dogwalker, voor te stellen hoe ze zouden klinken als de auteur ze zelf voorlas. Bradford, een wat lijzige, slungelachtige jonge Amerikaan, maakte vorig jaar op het Crossing Border festival furore door tijdens zijn voordracht in het McSweeney's-programma diverse gitaren op het podium stuk te slaan. Het verhaal dat deze uitvoering kreeg, was toch al licht absurd, to say the least, met als belangrijke elementen lastige buren, een voodoo-heks en een luid zoemende bijenkorf. De verhalen in zijn nieuwe bundel sluiten hier qua stijl en thematiek naadloos op aan. Ook hier vinden we schijnbaar onnozele vertellers, veel rare huisgenoten, heksen en dieren, met name honden van het pratende soort, of een naaktslak zo groot als een arm. Het zijn, kortom, verhalen waarbij je ergens in de verte het geluid hoort van een gitaar die aan splinters wordt geslagen.

Neem `Dogs', waarin de verteller een verhouding begint met Ellouise, de hond van zijn vriendin. `Onze affaire begon op een namiddag door een geleidelijke progressie van strelen en knuffelen. Geen van ons beiden, ik of de hond, wist wat we ervan moesten denken nadat het gebeurd was. We zaten daar gewoon, nogal verbaasd over hoe het was uitgepakt. We hadden niet op die manier aan elkaar gedacht. Maar later, naderhand, gingen we telkens wanneer we alleen waren er haast vanzelf weer toe over.' Ellouise raakt zwanger, tot grote schrik van de verteller, die zijn ontrouw tenauwernood verborgen wist te houden voor zijn vriendin, ondanks het jaloerse gedrag van de hond. Die werpt een nestje van normale puppies, plus één piepkleine mensenbaby, door de verteller in een mandje aan de rivier toevertrouwd. Vervolgens verandert het verhaal in een bizarre familiesaga waarbij er aan de toch al ongebruikelijke stamboom nog ettelijke takken met mens-hond verbintenissen worden toegevoegd. Het verhaal krijgt een gelukkig einde, als de verteller zich terugtrekt in een huisje op het platteland, met zijn diverse nakomelingen al spelend en blaffend om zich heen.

Dit op een lichte toon vertellen van krankzinnige gebeurtenissen is typerend voor Dogwalker, al komen niet in elk verhaal sprekende dieren voor. Maar wel wordt elk verhaal op z'n minst bevolkt door een beetje afwijkende personages, van merkwaardig ogende, mismaakte of gehandicapte mensen en dieren tot regelrechte mutants. En wanneer er fysiek niets mis met ze is, dan zijn het onaangepaste zonderlingen of losers die zich aan de rand van de maatschappij bevinden als je al van een maatschappij kunt spreken in Bradfords verhalen of ze krijgen in de loop van het verhaal alsnog een vreselijk ongeluk.

Toch is Dogwalker allesbehalve somber of troosteloos. Het lijkt wel alsof Bradford wil zeggen dat het helemaal niet erg is om een beetje raar te zijn (als de notie van een moraal bij deze verhalen tenminste niet zo volstrekt misplaatst leek), of om bijvoorbeeld een paar benen kwijt te raken. Dit laatste overkomt Billy McQuill in het gelijknamige verhaal, wanneer hij dronken op een spoorlijn in slaap valt. Billy blijft vrolijk onder zijn handicap, en zijn vroeger veel te lange armen, die hem een aapachtig voorkomen gaven, komen hem nu goed van pas.

Bradfords belangrijkste troef is zijn bewust simpele, deadpan stijl die maakt dat je, samen met zijn schijnbaar naïeve vertellers, alles wat er gebeurt als normaal accepteert. In dit effect, en in zijn zwarte humor, lijkt hij wel wat op de Britse schrijver Magnus Mills. Er kleeft echter een belangrijk bezwaar aan deze stijl, die uitstekend past bij stukgeslagen gitaren, maar niet echt geschikt is om emotionele subtiliteiten weer te geven: het lijkt wel alsof al Bradfords verhalen worden verteld door dezelfde, nogal tweedimensionale ik-figuur. Je voorstellen hoe leuk ze zouden klinken als Bradford ze zélf voorlas, is dan ook verraderlijk. Het geeft zijn vertellers een interessantere stem dan ze, slechts op papier, ooit zouden kunnen bezitten.

Arthur Bradford: Dogwalker. Hamish Hamilton, 144 blz. ƒ45,95. De Nederlandse vertaling Hondenescort (van Dirk-Jan Arensman) verschijnt bij Vassallucci, 150 blz. ƒ37,35