Wel de feesten, niet naar de synagoge

Het percentage niet-gelovige joden ligt veel hoger dan het Nederlandse gemiddelde. Jongeren keren terug naar de religie.

Op zondag, de dag na sjabbat, gaat David Gaillard gekleed in zwarte broek en wit overhemd. Voor een deel is dat toevallig, lacht de 32-jarige redacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). ,,Ik kleed me in alle kleuren van de regenboog.'' De zwarte muts die zijn dikke haar bedekt is echter géén toeval, maar weerspiegelt de keuzes die Gaillard heeft gemaakt. Orthodoxe joden bedekken hun hoofd. Maar, zo zegt David Gaillard, ,,Ik ben journalist. Om in het openbaar met een keppeltje rond te lopen, daar heb ik wel wat problemen mee.'' De zwarte vilten muts – ,,op de redactie noemen ze het mijn Talibaan-petje'' – is Gaillards compromis: acceptabel voor orthodoxe gelovigen, niet al te opzichtig voor buitenstaanders.

David Gaillard is lid van de Russische Synagoge, die is aangesloten bij de Joodse Gemeente Amsterdam. Daarmee behoort hij tot de 38 procent van de halachische joden in Nederland die lid is van een joodse (kerk)gemeente. Afgezien van het Portugees-Israëlitisch kerkgenootschap (9 procent), is `praktiserend' joods Nederland een tweestromenland. Liberale gelovige joden maken deel uit van gemeenten die zijn aangesloten bij het Verbond van Liberaal Religieuze Joden in Nederland (32 procent). Behoudender, traditionele of `orthodoxe' joden maken deel uit van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (58 procent). Alleen het meest behoudende deel hiervan houdt zich aan de mitswot, de religieuze leefregels, die kosjer eten voorschrijven en autorijden op de sabbat verbieden. David Gaillard hoort bij de laatste, behoudende stroming.

Vanzelfsprekend is dat niet. David werd door zijn ouders (,,atheïsten, echt uit de overtuiging dat dat beter was'') niet-kerkelijk opgevoed. Gaillards ouders zijn exemplarisch: de joodse bevolking in Nederland is veel verder geseculariseerd dan de rest van Nederland. In het onderzoek Joden in Nederland onderschrijft bijna een kwart van de joden (halachische en niet-halachische joden) de stelling `ik geloof niet in God', tegen een Nederlands gemiddelde van 17 procent. Daar waar 26 procent van de Nederlandse bevolking `zonder twijfel' in God gelooft, is dat onder joden slechts 14 procent.

Het relatief hoge percentage joden dat lid is van een kerkgenootschap moet daarom nog eens sterk worden gerelativeerd. In het onderzoek van het NIDI en het IMES gaf 62 procent van de ondervraagden aan ingeschreven te zijn bij een joodse gemeenschap omdat hij of zij `het als een plicht voelde om een georganiseerde joodse gemeenschap in stand te houden'. Bijna 40 procent is lid om `de verbondenheid met de joodse wereld uit te drukken'. Slechts 17 procent van de ondervraagden gaf `omdat ik gelovig ben' op als reden voor het lidmaatschap.

De joodse bevolking in Nederland is ongelovig en buiten-kerkelijk, concluderen de onderzoekers. Daarmee lijkt vier eeuwen joodse religieuze cultuur in Nederland, begonnen met de uittocht van de Sefardische joden uit Spanje en Portugal in de zestiende eeuw, ten dode opgeschreven. Of toch niet helemaal? De onderzoekers ontdekten een opmerkelijk verschil tussen oudere, vooroorlogse joden en de jongere generaties. Naoorlogse ondervraagden vieren vaker joodse feestdagen en houden bepaalde joodse gebruiken in ere. Dit verschil kan niet anders worden verklaard dan door het `opschuiven' van de naoorlogse generatie in traditionele richting, zo concluderen de onderzoekers.

De opleving is voor een deel oppervlakkig. Want, zo concluderen de onderzoekers, de grotere populariteit van joodse feestdagen en gebruiken gaat niet gepaard met meer bezoek aan de synagoge (sjoel). Ook David Gaillard is pessimistisch. De uitkomst van het onderzoek noemt hij ,,tamelijk dramatisch''. ,,Uit het onderzoek blijkt dat de traditionele joodse gemeenten van essentieel belang zijn voor het behoud van de joodse gemeenschap in Nederland. Natuurlijk, de eerste twee, drie generaties zullen nog enige mate van joodse identiteit koesteren. Daarna verwaait het.''

Als achttienjarige student aan de bosbouwschool in Velp cirkelde David om de synagoge in Arnhem – op de fiets. Door het hek zag hij vreemde Hebreeuwse tekens, die hij niet kon lezen. ,,Ik vroeg me af of de mensen die hier iedere zaterdag kwamen, wel dezelfde taal spraken als ik. Ik vroeg me af wat ze van mij zouden vinden, een jood die varkensvlees at. Een spekjoodje.''

Maar al was de wereld achter de spijlen van de synagoge totaal vreemd voor Gaillard, omdat zijn moeder joods was, maakte hij deel uit van het joodse volk, zo stelt de halacha, de joodse wet. Toen hij als student sociologie aan de Universiteit van Amsterdam voor het eerst naar sjoel ging, werd hij met open armen ontvangen. ,,Ik vond het er heel warm, heel intrigerend. Er was een saamhorigheid die ik miste. Heel anders dan de vrijblijvende anonieme individualiteit op de universiteit.''

Een tijd lang bleef David Gaillard `vrijblijvend' naar de synagoge gaan. Maar die vrijblijvendheid ging steeds meer knagen, ,,alsof je jezelf betrapt''. Wie joods religieus wil leven, zal zich ook aan bepaalde regels moeten houden, zo vond hij. Tegenwoordig legt hij iedere zaterdag de weg naar de synagoge te voet af, veertig minuten heen, veertig minuten terug. ,,Sjabbat Sjalom, roepen mijn seculiere vrienden als ze langsfietsen.''

Niet iedereen accepteerde Gaillards `bekering'. Er was kritiek van kennissen, vrienden, familie. Zijn beslissing twee jaar geleden om in Israël vijf maanden te gaan studeren aan een orthodoxe sjoel leidde tot een breuk met zijn moeder. Toch is hij gelukkig met het leven dat hij op dit moment leidt, met één been in de orthodoxie, één been erbuiten. ,,Juist door mijn contacten met de conservatieve joodse wereld ben ik het liberalisme weer gaan waarderen.'' De vraag of hij nu wel of niet orthodox is, houdt hem niet meer bezig, zegt hij. Hij draait de zaak om: ,,Vierhonderd jaar hebben mijn voorouders in Nederland zich aan de joodse religieuze leefregels gehouden. En tot tot nu toe heb ik geen steekhoudende argumenten gehoord voor het feit dat dat niet meer belangrijk zou zijn.''