Talmende EU creëert onrust in Oost-Europa

In de lidstaten van de Europese Unie staat uitbreiding niet hoog op de agenda. Ten onrechte, meent Renée Postma. Oost-Europa dreigt nu door armoede en instabiliteit een bron van onrust te worden.

Het populisme heeft in het nieuwe Poolse parlement, dat op 23 september gekozen werd, een duidelijk zichtbaar gezicht gekregen: het draagt roodwitte, grof gestrikte stropdassen en wacht zelfverzekerd in de oppositiebanken tot de tijd rijp is. Grijzend middelpunt is Andrzej Lepper, leider van de boerenpartij Samoobrona (Zelfverdediging). Scheldend, slaand en blokkades opwerpend heeft hij zich de afgelopen jaren een weg gebaand naar het Poolse parlement: een euroachterdochtige straatvechter die de Poolse bankreserves wil aanspreken om de armen een extraatje te geven.

Zijn opgang in de Poolse politiek is een direct gevolg van de diepe teleurstelling die miljoenen Polen voelen over de resultaten van meer dan tien jaar democratie. Eerst legden de kiezers hun lot in handen van Solidariteit, vervolgens in die van de voormalige communisten, toen weer van rechts en nu weer van links. Het maakt voor hun gevoel allemaal niets uit. Salarissen blijven laag, de sociale onzekerheid groot, de werkloosheid hoog en telkens weer valt het scherpe mes van de overheidsbezuinigingen. De droom van een welvarende, vrije toekomst in een verenigd Europa is langzaam maar zeker vervaagd.

De `Haiderisering' van Midden- en Oost-Europa is in volle gang. De Polen hebben Lepper in het parlement gekozen, de Slowaken staan op het punt om Vladimír Meciar een nieuwe kans te geven, onder de Hongaarse jeugd groeit de steun voor de extreem-rechtse opvattingen van István Csurka, die Groot-Hongarije in ere wil herstellen, de Roemenen waren het eind vorig jaar zo zat dat ze bijna de nationalist Corneliu Vadim Tudor tot president kozen en de Bulgaren kozen in hun wanhoop afgelopen zomer een ex-koning zonder enige politieke bestuurservaring tot hun premier.

Wie na tien jaar teleurstelling nog gaat stemmen laat zich in toenemende mate verleiden door partijen die simpele antwoorden hebben op uiterst gecompliceerde problemen. Verschil met het land van Haider is echter dat Oostenrijk al lid was van de Europese Unie toen het populisme de kop opstak en dat Brussel de Oostenrijkse regering onmiddellijk tot de orde riep, terwijl de kandidaat-lidstaten met hun populisme alleen maar verder van de EU wegdrijven.

Van de uitbreiding van de EU is voor de gewone man in Midden- en Oost-Europa, ruim tien jaar na de val van het communisme, weinig meer te begrijpen. Zijn eigen economische werkelijkheid bestaat uit een maandinkomen van een paar honderd gulden dat bijna totaal opgaat aan `vaste lasten', inkomens die laag blijven terwijl de prijzen steeds verder stijgen. Hele bevolkingsgroepen bezuinigen inmiddels op voedsel.

De `interne Europese markt' is de gewone burger in dit deel van de wereld volstrekt vreemd. Onderhandelingen over wetgeving inzake competitie en patentrecht zeggen hem niets. Uitspraken dat werknemers uit de kandidaat-lidstaten niet zomaar welkom zijn op de Europese arbeidsmarkt des te meer. Hij voelt zich bij voorbaat niet welkom. De democratie heeft hem niet gebracht wat hij ervan verwachtte.

Populisten als Lepper, Meciar en Tudor maken daarentegen handig gebruik van de nieuw verworven vrijheden. Hun partijen krijgen aan de vooravond van verkiezingen evenveel zendtijd als de anderen, hun demonstraties, acties en blokkades worden ruim belicht door de nieuwe onafhankelijke media. En net als de andere politici laten ze zich steeds vaker `trainen' en `coachen'. Zo kreeg Lepper onlangs van zijn `coach' het advies om wat minder te schelden en zich wat vaker coöperatief op te stellen. Het verschil is dermate opvallend dat in Polen al gesproken wordt van een `nieuwe' Lepper. Maar zijn xenofobe boodschap blijft hetzelfde: de EU is uit op de vernietiging van de Poolse boeren, wil ons alleen maar onderwerpen en ons land afnemen.

De voedingsbodem voor populisme groeit in Midden- en Oost-Europa en de Europese Unie lijkt daar geen antwoord te hebben. Het tempo en de manier van uitbreiding staat bij elk formeel en informeel overleg weer braaf op de agenda, maar de lidstaten blijven vaag. Zo riep de Belgische voorzitter tijdens de informele top in Gent dat op de aanstaande top in Laken de namen van de eerste toetreders bekend zullen worden gemaakt. Dat werd onmiddellijk tegengesproken door ambtenaren van de Europese Commissie die zeiden dat dat onmogelijk is zolang de onderhandelingen nog voortduren.

Na jarenlang gezeur van de kandidaten om een datum gaven de lidstaten vorig jaar in Nice eindelijk aan dat de eerste landen in 2004 zullen kunnen toetreden. Tenminste, als de EU dan haar eigen hervormingen achter de rug heeft en klaar is om de verloren zonen en dochters te omarmen. Eind 2002, volgend jaar dus, moet het moeizame onderhandelingsproces met de eerste toetreders zijn afgerond. Landen als Hongarije en Slovenië zullen min of meer klaar zijn. Polen, Tsjechië en Slowakije hebben het lastiger, om van Roemenië en Bulgarije maar te zwijgen.

Inmiddels is de grote vraag hoe de toetreding in haar werk zal gaan als het eenmaal zover komt. De Europese Commissie, althans uitbreidingscommissaris Günther Verheugen, lijkt het meest te voelen voor een `Big Bang', dat wil zeggen alle landen erbij, behalve Roemenië en Bulgarije, die zelf ook toegeven dat ze nog lang niet klaar zijn. Maar dat zullen Polen en bijvoorbeeld Slowakije ook niet zijn. Om die reden houdt de Nederlandse regering voorlopig vast aan een `technische uitbreiding': een land mag pas toetreden als het klaar is, zoals minister Jorritsma van Economische Zaken vorige week nog in Boedapest onderstreepte.

Europese diplomaten die de toetreding van dag tot dag meemaken hebben vaak een heel andere mening. Ze realiseren zich dat de kandidaten die veertig jaar communisme achter de rug hebben nooit klaar zullen zijn. De implementatie van Europese wetgeving zal bijvoorbeeld altijd een zwak punt blijven. Michael Lake, vertegenwoordiger van de Europese Commissie in Boedapest, meent dat er uiteindelijk een politiek besluit moet worden genomen om de landen binnen te halen. In de praktijk groeit het besef dat de stabiliteit in Europa meer gediend is bij een snelle uitbreiding dan bij een tergend langzaam proces dat steeds meer mensen in dit deel van de wereld in de handen van populisten drijft.

Politiek blijft het in de lidstaten van de EU verdacht stil, op de halfjaarlijkse voorzitter van de EU na. Dit keer is het de Belg Verhofstadt die zegt dat ,,we het risico moeten nemen''. Een half jaar geleden klonken gelijke geluiden uit Zweden. Maar in de lidstaten, ook in Nederland, lijkt de uitbreiding niet hoog op de politieke agenda te staan. Niemand waagt zich aan uitspraken over een snelle `politieke' uitbreiding versus een langzame `technische' uitbreiding. Niemand durft de omvang en de noodzaak van de kosten publiekelijk te berekenen. De bevolking van de lidstaten heeft geen idee wat de consequenties van het ene of het andere scenario zouden zijn.

Over de stabiliteit in de kandidaat-lidstaten en op het continent heeft al helemaal niemand het meer. Wat merkwaardig is, zeker nu de wereld wordt opgeschrikt door terrorisme dat door steeds meer mensen ervaren wordt als onvermijdelijke consequentie van armoede en gebrek aan democratie in delen van de wereld. Voor het armoedeprobleem hoef je echter niet naar de moslimwereld of Afrika. Europa heeft een eigen armoedeprobleem op nog geen duizend kilometer van Brussel. Vele tientallen miljoenen gedesillusioneerde mensen zien geen andere uitweg dan op populisten te stemmen en hun eigen glazen in te gooien. En die van de Europese Unie, want als de uitbreiding mislukt krijgt de EU te maken met een voortdurende bron van onrust in het oosten.

Renée Postma is correspondent van NRC Handelsblad in Boedapest.