Soms zegt de achternaam niets

Onderzoek doen naar een bevolkingsgroep die niet staat geregistreerd, is niet eenvoudig. Over telefoonboeken en sneeuwbaleffecten.

Hoe tel je een bevolkingsgroep die nergens als zodanig staat geregistreerd? Voor het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Instituut van Migratie- en Etnische Studies (IMES), verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, is de opdracht van Joods Maatschappelijk Werk (JMW) een kwantitatieve en kwalitatieve inventarisatie van de joden in Nederland niet eenvoudig geweest.

Het lag voor de hand dat de onderzoekers een aanknopingspunt zouden zoeken bij het geloof. Echter, de laatste keer dat de religieuze overtuiging van Nederlanders werd geregistreerd, was bij de volkstelling van 1960. De Israëlitische Kerkgenootschappen telden toen bijna vijftienduizend leden, volgens de opgave van het ondervraagde volk, dat het lidmaatschap trouwens vaak verzweeg. Maar kerklidmaatschap is beperkter dan religieuze overtuiging, en wie zich joods noemt, hoeft niet altijd gelovig te zijn.

Simpelweg een aselecte steekproef uit de bevolking trekken dan? Dat is een te grof middel voor een groep die zo'n veertigduizend leden telt de kans een jood te treffen is een kwart procent. De onderzoekers hadden in dat geval een steekproef onder 400.000 Nederlanders moeten houden om aan een representatief aantal van duizend verder te ondervragen personen te komen. Dat is zeer duur en tijdrovend.

Ook onderzoek op basis van het cliëntenbestand van joodse organisaties of kerkgenootschappen bleek ongeschikt. Dit levert geen representatief beeld op. Bovendien zijn deze bestanden niet bedoeld om gebruikt te worden voor onderzoek, en oneigenlijk gebruik van administraties ligt gevoelig, zeker onder joden.

Op initiatief van JMW is gekozen voor een andere manier: een onderzoek op basis van namen. Een vooronderzoek van JMW had uitgewezen dat deze methode voldoende kans bood op het vinden van geschikte kandidaten. ,,Via namen valt een mogelijk joodse oorsprong te achterhalen'', zegt onderzoeksleidster Hanna van Solinge van het NIDI. Er zijn natuurlijk algemeen bekende namen als `Cohen' en `Polak' die met joden worden geassocieerd ofschoon lang niet elke Cohen joods is maar er zijn nog veel meer namen die vaker voorkomen onder joden.

JMW stelde voor het onderzoek Joden in Nederland drie teams samen van mensen die goed zijn ingevoerd in de joodse wereld. Deze teams zouden een lijst opstellen van namen waarvan de drager mogelijk joods kon zijn – vervolgens kon deze lijst gebruikt worden als hulpmiddel bij het meer gericht benaderen van de onderzoeksgroep. Het onderzoek zou alleen gehouden worden onder mensen met een mogelijk joodse achternaam, en niet onder de totale bevolking.

De haalbaarheid van een dergelijke aanpak werd eerder door Joods Maatschappelijk Werk getest met een vooronderzoek in Amsterdam. Van de aldus benaderde personen bleek ongeveer een op de vijf jood te zijn en tevens bereid aan deelname aan een eventueel te houden onderzoek.

De bron voor de namenlijst was het telefoonboek van Amsterdam, een stad met een grote joodse populatie. De computer stelde een willekeurige lijst op van pagina's en kolomnummers, en de drie teams afzonderlijk gingen in de aangewezen kolommen op zoek naar namen die zij als mogelijk joods herkenden. De drie lijsten van de teams werden vervolgens vergeleken, en alleen de namen die minimaal tweemaal werden genoemd, kwamen op de definitieve lijst. Deze telde meer dan vierhonderd namen.

Aan KPN werd vervolgens gevraagd een adressenbestand op basis van openbare telefoonaansluitingen te leveren van iedereen in Nederland met een van deze namen. Zo werden bijna veertigduizend personen gevonden.

De onderzoekers hadden als doel twaalfhonderd joden te interviewen een groep die representatief genoemd zou kunnen worden voor de gehele joodse gemeenschap in Nederland.

Op basis van de in het vooronderzoek gevonden trefkans zouden naar verwachting zo'n zesduizend mensen benaderd moeten worden in elf geselecteerde regio's. In deze regio's werd een aselecte keuze gemaakt uit het KPN-bestand. Naar deze mensen werd een brief gestuurd waarin het onderzoek werd aangekondigd. Daarna werden zij gebeld met de vraag of zij bij de doelgroep van het onderzoek hoorden (personen met minimaal één joodse ouder) en of zij wilden meewerken aan een vraaggesprek.

De aanname dat 20 procent van de mensen met een mogelijk joodse achternaam ook inderdaad joods was, bleek te optimistisch. ,,Buiten Amsterdam bleek de trefkans veel kleiner, en zeker buiten de Randstad'', zegt van Solinge. ,,Er waren bijvoorbeeld namen waarvoor de trefkans in Amsterdam 60 procent was, maar in de regio slechts 13.'' Hoe dat komt, is niet geheel duidelijk. Mogelijk zijn joden die aan hun identiteit vasthouden in de loop van generaties altijd binnen een hechte gemeenschap blijven wonen, waar de infrastructuur bestaat om bijvoorbeeld het geloof te belijden. Wie daar niet aan vasthield en naar de provincie verhuisde, kon makkelijk alle binding met het jodendom verliezen op de joodse naam na.

Uiteraard is het niet mogelijk alleen op basis van achternamen een representatieve onderzoeksgroep te vinden. Zeker bij joden, omdat op basis van de joodse wet het jood-zijn via de moeder wordt doorgegeven. En de meeste kinderen krijgen hun achternaam van de vader. Om ook gemengd gehuwde vrouwen te vinden of joden met alleen een joodse moeder (of joodse jongeren zonder telefoonaansluiting), werd de deelnemers aan het onderzoek gevraagd of zij zo iemand kenden. Dit leverde de zogenoemde sneeuwbalkandidaten op, die later konden worden geïnterviewd. Ook partners konden worden geïnterviewd.

Van Solinge: ,,Een onderzoek op basis van namen is effectief als er veel binnen de groep is gehuwd. Vanaf de jaren twintig is dat bij joden steeds minder gebeurd, en dus zeggen namen in afnemende mate iets over de joodse achtergrond. Over dertig jaar zou een onderzoek als dit niet meer uitgevoerd kunnen worden.''