Gezellig nepkraken in een kunstcentrum

Gert Robijns, een jonge, onbekende Belgische kunstenaar, bouwde in Witte de With met gipsplaten een appartement van drie kamers. Bestaande elementen van het gebouw van Witte de With, zoals ramen en centrale verwarming, nam hij in zijn bouwsel op; het plafond van isolatiemateriaal hangt aan het `echte' plafond van Witte de With. Het huis is niet af, de gipsplaten zijn nog onbehandeld, alleen de naden tussen de platen zijn dichtgesmeerd. De kamers zijn leeg, op een namaak-biljarttafel van kunststof na. Drie witte keus van gips staan klaar in een hoek; op onverwachte plekken, bijvoorbeeld op de richel boven een doorgang, liggen gipsen biljartballetjes.

Het flanel waarmee de tafel moet worden bespannen ligt netjes opgevouwen in de aangrenzende kamer op de grond, bij een monitor met een video van een witte biljartbal. Op onverwachte momenten niet synchroon met de videobeelden klinkt het geluid van de bal die met kracht tegen de tafelrand gestoten wordt. Er zijn talloze kleine speakers in de wanden gemonteerd, en het harde `pok!' stuitert door de kamer, zodat de dimensies van de ruimte akoestisch ervaarbaar worden. Verder is alles in dit onbewoonde huis steriel, vervreemdend en onaanraakbaar. Dit werk is de meest interessante bijdrage aan de tentoonstelling Squatters2. Robijns bewerkstelligt een absurdistische spanning tussen de echte en een surrogaatwereld.

Het thema van Squatters is het fenomeen van het kraken, het semi-legaal in bezit nemen van een leegstaand pand. Wat kraken met kunst te maken heeft blijft volkomen onduidelijk. Inderdaad, kunstenaars nemen óók tijdelijk bezit van een ruimte, maar wel op uitnodiging — een tamelijk essentieel verschil. Zij wonen er niet, nog zo'n verschil. En de esthetische ordening van Robijns zullen we niet gauw in een kraakpand aantreffen. Toch blijkt het in bezit nemen van ruimte in Witte de With de kern van de zaak te zijn. Het is het aloude tentoonstellingsconcept van site specifity of plaatsgebondenheid dat ten grondslag ligt aan Squatters.

In de jaren zestig ontwikkelden minimal kunstenaars als Carl Andre en Dan Flavin, maar ook een schilder als Robert Ryman, hun werk als methode of instrument om de omgeving zichtbaar en voelbaar te maken. Zij leverden hiermee kritiek op het modernistische dogma van de expositieruimte als `witte kubus', en daarmee op de dwingende voorwaarden waaronder kunst door de geïnstitutionaliseerde kunstwereld wordt getoond.

De generatie na hen, onder wie Gordon Matta-Clark, Dan Graham en Daniel Buren, verliet de witte kubus, op zoek naar alternatieve ruimten. Maar ook hun kunst, zo werd duidelijk, moest binnen een kunstcontext gepresenteerd worden om überhaupt zichtbaar te zijn. Het dilemma van de onmogelijkheid om kunst buiten de kunst-instituties te ontwikkelen houdt ook de jongste generatie nog steeds bezig.

Van een directe confrontatie tussen de kunst en het leven zelf komt het vrijwel nooit; ook wanneer het kunstwerk `daar buiten' gepresenteerd wordt, zal het op de een of andere manier als kunst gedefiniëerd moeten worden om herkenbaar te zijn. Toch is het adagium van de site specifity nog steeds bijzonder populair. Het geldt voor een tentoonstelling als een pluspunt wanneer een kunstenaar een werk `speciaal' voor die plek heeft gemaakt. Zoals in Witte de With de Italiaanse kunstenaar Massimo Bartolini in totaal 700 meter wit parelsnoer bevestigde langs de randen van de witte wanden, muren, vloeren en plafonds, om aldus de tentoonstellingszaal te transformeren tot een Jewel Casket, een bijouteriedoos.

Hoe weinig avontuurlijk en hoe weinig moedig de tentoonstelling Squatters is, wordt juist duidelijk door een vergelijking met de krakersbeweging. De hier getoonde werken zijn namaak, een slap aftreksel van het echte leven, zoals de tomaten-broeikas van William Speakman naar het voorbeeld van de kapel bij Ronchamp van Le Corbusier de romantische kitschfoto's van Rita Magalhaes, de kinderachtige video-installatie-met-step van Honoré d'O of het papieren kraakpand van Jeanne van Heeswijk c.s..

Nee, een broedplaats is Squatters, in tegenstelling tot veel krakerspanden, beslist niet. In Amsterdam wordt, vanuit een ongebreidelde drang van de gemeente tot zelfverrijking, het ene kraakpand na het andere geruimd, onder de belofte dat geld vrijgemaakt zal worden om elders `broedplaatsen' te creëren. Op zulke geïnstitutionaliseerde broedplaatsen zit natuurlijk niemand te wachten. Behalve de kunstenaars die zich laten verleiden om mee te doen met een tentoonstelling als Squatters: gezellig samen nepkraken in een voorgekookte broedplaats.

Tentoonstelling: Squatters 2. In: Witte de With, centrum voor hedendaagse kunst, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Tot 2/12. Open: di-zo 11-18 uur. Tel. (010)410144