Geslaagd in het leven, maar wel eenzaam

Uitgedrukt in cijfers is de omvang van de joodse populatie in Nederland al decennialang stabiel. De groep zelf is echter wel sterk veranderd.

Het is een beladen onderwerp voor een onderzoek. Een beschrijving van de joodse bevolkingsgroep in Nederland, hoe goed bedoeld ook, gaat altijd gebukt onder de geschiedenis. Bij een groot deel van de oudere generatie zal de schrik om het hart slaan als ze van zo'n onderzoek hoort, terwijl veel jongeren wellicht vooral irritatie voelen. Misschien willen ze wel helemaal niet worden ingedeeld bij een aparte bevolkingsgroep. Tot in de jaren zeventig vielen sommige joden in de Nederlandse samenleving nog op door hun uiterlijk. Maar wie weet er in de huidige multiculturele samenleving nog van vrienden, buren of collega's of ze van joodse afkomst zijn?

Het gisteren door Joods Maatschappelijk Werk (JMW) gepresenteerde onderzoek De Joden in Nederland anno 2000; demografisch profiel en binding aan het jodendom wil juist die veranderingen in beeld brengen. Denken oudere generaties joden anders over bijvoorbeeld het geloof dan hun kinderen en kleinkinderen? En wijken de jongere joden af van vergelijkbare generatiegenoten elders in de samenleving? En, een hele belangrijke vraag, hoeveel joden zijn er eigenlijk in Nederland? Daar is sinds 1966 geen gedegen onderzoek meer naar gedaan. Een eerdere poging van JMW in het midden van de jaren tachtig om de joodse bevolkingsgroep in kaart te brengen, leidde tot zulke heftige maatschappelijke protesten, dat men uiteindelijk maar van het onderzoek afzag.

In 1998 besloot JMW toch weer een nieuwe poging te doen. Reden was dat JMW, een van de grootste welzijnsinstellingen voor joden in Nederland, wil kunnen inschatten aan welke voorzieningen en hulpverlening de `doelgroep' behoefte heeft. Vooral de mate waarin joodse inwoners van Nederland zich gebonden voelen aan het jodendom, is daarbij een belangrijke factor. Immers, het is die binding die bepaalt of joden (nog) behoefte hebben aan bijvoorbeeld specifiek joodse scholen, ziekenhuizen of verzorgingshuizen. Maar ook of er voldoende belangstelling zal zijn voor cursussen om kosjer te leren koken of meer te leren over religieuze rituelen.

Het onderzoek, dat in opdracht van het JMW is uitgevoerd door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (IMES) van de Universiteit van Amsterdam, valt in twee delen uiteen. Eerst wordt in een aantal hoofdstukken het sociaal-demografisch profiel beschreven van de joodse bevolking in Nederland, waarna in het tweede deel wordt ingegaan op de vraag welke binding de onderzoeksgroep heeft met het jodendom en waar die band op is gebaseerd.

De resultaten zijn op een aantal punten opmerkelijk, vinden zowel de opdrachtgever als de onderzoekers. En dat begint al bij de omvang van de groep. Want, anders dan ook JMW zelf verwachtte, is de populatie joden in Nederland de afgelopen 35 jaar vrijwel stabiel gebleven. ,,Hoewel in de jaren vijftig en zestig op grond van de sterke vergrijzing, het lage kindertal en het steeds meer in zwang geraakte gemengd huwen een getalsmatige teruggang van de (halachisch-)joodse bevolking in Nederland werd voorzien, lijkt dat vooralsnog niet bewaarheid te worden'', schrijven de onderzoeksters Hanna van Solinge en Marlene de Vries in hun slotbeschouwing van het rapport.

Op dit moment wonen in Nederland circa 30.000 zogeheten halachische joden, zo blijkt uit het onderzoek. Halachische joden hebben een joodse moeder of zijn toegetreden bij een orthodox rabbinaat. Kinderen die geboren zijn uit een joodse vader en een niet-joodse moeder worden op grond van de joodse geloofsregels niet als jood beschouwd, tenzij ze zelf toetreden tot het geloof.

De `vaderjoden' zijn lange tijd een vergeten groep geweest, ook in Nederland. In de twee eerdere grote demografische onderzoeken (1954 en 1966) werd over de `vaderjoden' niet gesproken. Op initiatief van JMW is deze groep nu wel in kaart gebracht en ondervraagd, juist omdat zij wilde weten in welke mate het joods zijn gevolgen heeft voor het zich joods voelen. De reacties van de ondervraagden met alleen een joodse vader waren heel uiteenlopend, zo valt te lezen in het rapport. Sommigen waren blij verrast (,,We bestaan dus wel?''), anderen wilden niet meewerken, uit boosheid omdat ze tot nu toe altijd waren genegeerd.

Wordt de groep joden uitgebreid met diegenen met alleen een joodse vader, dan is de joodse populatie in de afgelopen 35 jaar zelfs gestegen. In 1966 werden er zo'n 30.000 joden geteld. Volgens de in het recente onderzoek gehanteerde `ruime definitie' leven er nu in Nederland circa 43.000 joden. Van hen bestaat zo'n 30 procent uit `vaderjoden'. Ook de toekomst ziet er niet al te somber uit: ,,Er wordt een zeer lichte afname in de totale omvang van de joodse bevolking in de periode tussen 2000 en 2020 voorzien. Deze krimp komt vooral voor rekening van het aantal halachische joden. Hun aantal in 2020 wordt geschat op circa 28.000. Daarbij neemt naar verwachting het aantal met twee joodse ouders af, terwijl het aandeel met alleen een joodse moeder juist toeneemt'', verwachten de onderzoekers van het NIDI en het IMES.

Dat de groep halachische joden in Nederland tot nu toe zo stabiel is gebleven, komt waarschijnlijk vooral door de recente immigratie van joden uit Rusland en Israël. Hoewel exacte cijfers ontbreken, wonen er op dit moment naar schatting ten minste 900 Russische joden in Nederland en circa 5.000 joden die hier vanuit Israël naar toe zijn gekomen. Deze groep heeft de Israëlische nationaliteit en/of is in Israël geboren. Daarnaast is er een groep van circa vierduizend mensen in Nederland die langere tijd in Israël heeft gewoond.

Hoewel de omvang van de joodse bevolkingsgroep de afgelopen 35 jaar dus min of meer stabiel is gebleven, hebben zich binnen de gemeenschap ingrijpende veranderingen voorgedaan. Veel van die ontwikkelingen (later trouwen, minder kinderen, hogere opleidingen, minder kerkgebonden) hebben ook elders in de Nederlandse maatschappij plaatsgevonden, maar bij nader onderzoek blijken er toch een aantal significante verschillen te zijn tussen de joodse populatie en vergelijkbare bevolkingsgroepen in Nederland. ,,Uitstel van relatievorming, ongehuwd samenwonen in plaats van trouwen, uitstel of afstel van het ouderschap en een hoge mate van instabiliteit van eenmaal aangegane relaties kenmerken joden in Nederland in sterkere mate dan de rest van de bevolking'', schrijven Van Solinge en De Vries in de slotbeschouwing van `De Joden in Nederland'.

Een voor de hand liggende verklaring hiervoor is het gemiddeld hoge opleidingsniveau van de joodse populatie – in andere onderzoeken is al regelmatig aangetoond dat later trouwen en sneller scheiden vaker voorkomt onder hoogopgeleiden. Volgens de onderzoekers van het NIDI en het IMES reikt die uitleg echter niet ver genoeg. ,,Aanvullende verklaringen zijn het feit dat de joodse bevolking zeer sterk geconcentreerd is in Amsterdam en andere grootstedelijke gebieden en een sterk kosmopolitische inslag heeft.''

Uit het onderzoek blijkt dat ook (zoals te verwachten is) opvoeding en religieuze achtergrond een grote invloed hebben op de houding ten aanzien van relaties en kinderen. ,,Binnen de joodse groep hangen deze verschillen [..] nauwelijks samen met het opleidingsniveau, maar veeleer met de joodse afkomst en met de omstandigheid of men wel of niet joods is opgevoed. Als men namelijk twee joodse ouders heeft en ook joods is opgevoed, dan vergroot dat de kans op een joodse partner en een stabiele relatie aanzienlijk'', zo valt te lezen in het rapport.

Uit het rapport `De Joden in Nederland' rijst het beeld op van een bevolkingsgroep die in de samenleving behoort tot de sociaal-economische en intellectuele bovenlaag: ,,Het gemiddelde opleidingsniveau – zowel van mannen als van vrouwen is zeer hoog; men is sterk oververtegenwoordigd in de hogere beroepsgroepen; de arbeidsparticipatie van vrouwen is opmerkelijk hoog, en ten slotte is ook de inkomenspositie van de huishoudens goed.'' Het effect daarvan op de joden zelf is dubbel, zo blijkt uit het onderzoek. De meeste ondervraagden beoordelen hun eigen leefsituatie als gunstig, maar tegelijkertijd voelen velen zich bijzonder eenzaam. Groepen die er uit springen zijn joodse jongeren zonder partner en mensen die ,,problemen ervaren die samenhangen met de eigen oorlogservaringen of die van hun ouders''.