`Een prent is een laagdrempelig kunstwerk'

Van alle prenten die hij de afgelopen kwart eeuw maakte, bewaarde lithograaf Rento Brattinga zelf één afdruk. Deze collectie van 2000 bladen grafiek werd onlangs verworven door het Fries Museum.

,,Ach, kunstenaars... het zijn net mensen, hè?'' Steendrukker Rento Brattinga (1951) maakt al 25 jaar lithografieën en houtdrukken met beeldend kunstenaars, en is al ontelbare keren naar hun grillen of sterallures gevraagd. Het valt wel mee, zegt hij. ,,Ze hebben wel elk hun eigen gebruiksaanwijzing. De een wil eerst thee en een krantje, de ander kan pas werken na drie uur 's middags of tien uur 's avonds. Van mij mag alles, als de prent er maar komt. Dat is mijn enige zorg.''

Brattinga laat zijn kunstenaars werken in een licht, rustig hoekje van zijn drukkerij, Steendrukkerij Amsterdam, waar verder alleen een voorraad lithostenen en een heftruck staan. De kunstenaar tekent zijn ontwerp in nauw overleg met de drukker op het kalksteen met tusche, een soort vette Oost-indische inkt, met krijt of iets anders, `alles wat vet genoeg is'. Voor velen is het de eerste kennismaking met de techniek. Brattinga: ,,Toen Armando hier voor het eerst kwam, zei hij: is dat de steen? Laat mij maar even. En hij smeerde hem onder met een centimeters dikke laag smurrie. Het moet héél zwart zijn, was zijn commentaar. En ik: maar vol is zwart, dat is genoeg! Het kostte dagen om het er weer af te krabben.'' Anderen lijden juist aan `steenangst' en durven het kalksteen nauwelijks te bezoedelen. ,,Dan zeg ik: dit is maar een oefensteentje, hoor. Ga gerust je gang.''

Het moment van afdrukken veroorzaakt elke keer grote spanning. ,,Vroeger raakte ik soms echt in paniek'', zegt Brattinga. ,,Dat is voorbij. Maar je houdt altijd een soort plankenkoorts. Je weet nooit of alles precies lukt.'' Het hele proces neemt zo'n drie weken in beslag. Van een prent worden meestal dertig à veertig exemplaren gedrukt soms vijftig, zoals van `toppers' als Fons Haagmans' geestige, steigerende ezel met een rood sjawltje om (1998).

Brattinga's beroepskeuze is een klassiek voorbeeld van `van vader op zoon'. ,Mijn overgrootvader was steendrukker, mijn grootvader offset-drukker, en mijn vader vormgever. Als jongetje racete ik op papierkarretjes door de drukkerij van mijn grootvader, rakelings langs die brullende persen levensgevaarlijk achteraf. Door het beroep van mijn vader, die affiches en catalogi ontwierp, heb ik goed leren kijken naar wat er op een plaat staat, naar de belettering en de hele uitstraling ervan.''

Toen Brattinga zelf een vak moest kiezen, wilde hij `terug naar af', terug naar het drukkersambacht. Hij bezocht de grafische school in Utrecht en werkte tijdens een stage bij drukker Piet Clement voor het eerst met beeldend kunstenaars. Dat klikte: Brattinga snapte zowel de technische kant van het drukken als de wereld van de kunstenaar, voor wie 'tijd en inspiratie' de enige vereisten zijn. Toen zijn grootvader in 1975 overleed, vond Brattinga in diens inmiddels failliete drukkerij in Hilversum alle oude apparatuur terug. Hij ging ermee aan de slag in een koud, donker pakhuis. De locatie Hilversum bleek al gauw een groot obstakel: de kunstenaars met wie Brattinga bezig was contact te leggen, weigerden om de tocht naar het Gooi te maken en lieten zich, àls ze al kwamen, persoonlijk halen en brengen door de drukker in zijn Kever. Twee jaar later zag Brattinga een `karkas' van een grachtenpand te koop staan aan de Amsterdamse Lauriergracht, en hij verhuisde naar de hoofdstad. Grootvaders immense steendruksnelpers uit 1904 ging in stukken mee. Brattinga wilde per se werken met dit ouderwetse gevaarte, dat ooit werd aangedreven door een stoommachine. Hij vindt het nog altijd `een machtig ding', dat hij spelenderwijs, `als een nieuwe fiets', heeft leren kennen.

Aanvankelijk werkte Brattinga vooral in opdracht van bedrijven als de PTT. Grafiek was `in', eind jaren zeventig. Maar sinds het vertrek van collega-drukker Bernard Ruijgrok uit het pand in 1984 heeft Brattinga voorin de drukkerij ook een galerie, en geeft hij in eigen beheer prenten uit. Daarbij volgt hij geheel zijn eigen smaak, die uitgaat naar helder, sober werk van Nederlandse kunstenaars als Carel Visser, Klaas Gubbels, Armando en Fons Haagmans. Van de jongere generatie zijn Koen Vermeule en Wouter van Riessen twee favorieten. Van alle prenten die hij de afgelopen kwart eeuw maakte, bewaarde Brattinga zelf één afdruk. Deze collectie van 2000 bladen grafiek werd onlangs verworven door het Fries Museum; een selectie eruit is daar nog tot januari te zien op een speciale jubileumtentoonstelling, `Voor Rento'.

Brattinga verdedigt zijn vak met vuur. ,,Alleen in zijn atelier kan een kunstenaar maar een beperkt aantal werken per jaar maken, of het nou om schilderijen of beelden of gouaches gaat. En van elk werk heeft hij er maar één wat hij verkoopt, is hij kwijt. Bij een prent ligt dat anders. Het is een laagdrempeliger soort kunstwerk, ook door de prijsverschillen: een Wouter van Riessen bijvoorbeeld kost bij mij 700 gulden, voor zijn schilderijen wordt inmiddels het tienvoudige betaald. Ik streef niet een of ander democratisch doel na hoor, van `kunst voor de arme man' of zo. Maar die grotere verspreiding is mooi meegenomen. Ik verkoop aan iedereen die belangstelling toont. Ook aan kunstcommissies van bedrijven, die hier soms met zijn achten tegelijk binnenstappen en dan kibbelen over wat ze precies zoeken. Dan probeer ik te bemiddelen. Ze komen hier voor goede kunst, dat is de eerste stap.''

Over de huidige recessie maakt Brattinga zich weinig zorgen. ,,Met grafiek zit je altijd goed. In goede tijden schaffen mensen die gewoonlijk geen kunst kopen misschien eens een prent aan, ter kennismaking. Als het slechter gaat, kiezen de reguliere kopers van schilderijen liever voor grafiek.''

Tentoonstelling `Voor Rento', t/m 6-1-2002 in: Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden. Tel. 058-2555500. Open di-zo 11-17u. Toegang ƒ 7,50. Catalogus ƒ49,90. www.friesmuseum.nl

Steendrukkerij Amsterdam, Lauriergracht 80, Amsterdam. Tel 020-6241491. Open wo-za 13-17 u.