De tijdgeest is nu anders

Vijftien jaar geleden zorgde een onderzoek naar joden voor grote commotie en werd het project afgeblazen. Nu werkt men graag mee. Hoe komt dat?

Boze brieven, emotionele oproepen om niet mee te doen aan het onderzoek, pleidooien op televisie tegen registratie. De protesten rond een sociaal-demografisch onderzoek naar de omvang, samenhang en toekomstige ontwikkeling van de joodse gemeenschap in Nederland namen in januari 1986 zo toe, dat binnen twee weken de draagkracht voor het onderzoek wegviel. Pas vijftien jaar later kon het onderzoek worden afgerond.

,,De commotie kwam volledig uit de lucht vallen'', zegt Chris Kooyman, die het onderzoek toen coördineerde vanuit de hulpverleningsorganisatie Joods Maatschappelijk Werk (JMW), die het initiatief had genomen voor het project. ,,We waren klaar met de opzet, waren bezig met het werven van de eerste sollicitanten. Toen werd een van de leden van het bestuur van Joods Maatschappelijk Werk geïnterviewd door het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Ze liet op de vraag wie er binnen de doelstelling van het onderzoek onder joden vielen, ongelukkigerwijs vallen dat `we alle definities, ook die van Hitler' gebruikten. Het woord Hitler werkte als een rode lap.''

De teneur van de protesten was dat het onderzoek deed denken aan het optreden van de Joodsche Raad in de Tweede Wereldoorlog. Deze raad registreerde in 1941 160.820 joden in Nederland. ,,Een ieder die uit ten minste drie naar ras voljoodse grootouders stamt'', die twee voljoodse grootouders heeft en tot een joodse kerkelijke gemeente behoort, of die twee voljoodse grootouders heeft en gehuwd is met een joodse man of vrouw, werd tot jood gerekend. Deze registratie was uiteindelijk de Duitse bezetter tot hulp bij de deportatie van joden naar concentratiekampen.

En dat terwijl de bedoelingen van het onderzoek in 1986 goed waren. Het doel van JMW was – net als nu – om een inschatting te kunnen maken welke voorzieningen, zoals bejaardentehuizen en scholen, er voor joodse Nederlanders ontwikkeld moeten worden.

In tegenstelling tot eerdere naoorlogse onderzoeken, in 1954 en 1966, wilde JMW in 1986 niet alleen gebruikmaken van ledenadministraties van joodse kerkelijke gemeenten, aangevuld met gegevens uit de burgerlijke stand, maar ook mensen interviewen. Daarbij werd gebruikgemaakt van een brede definitie van joods-zijn, waarbij zowel halachische joden, waarbij iemand joods is wanneer hij een joodse moeder heeft, als de zogenoemde vaderjoden, zouden worden geïnterviewd. Kooyman: ,,We wilden een zo breed mogelijk onderzoek doen.''

Het was vooral de tijdgeest die tegen zat, zeggen betrokkenen nu. Het voornemen aan het begin van de jaren tachtig een algemene volkstelling te houden, zoals deze tot dan toe iedere tien jaar werd gehouden, had de registratieangst onder Nederlanders aangewakkerd. Na veel protest werd deze telling eerst uitgesteld, en later afgesteld.

Maar ook andere factoren speelden mee. Op televisie werd de ruim negen uur durende documentaire Shoah over de holocaust vertoond, en de discussie over de vrijlating van twee bekende oorlogsmisdadigers, `De Twee van Breda', barstte opnieuw los. De herinneringen aan de oorlog kwamen boven en werden veelal voor het eerst geuit. ,,Het ogenblik was beroerd'', zei toenmalig voorzitter van de Commissie voor Demografie M. Goudeket in een vraaggesprek eind 1986.

De leiding van Joods Maatschappelijk Werk blies het onderzoek af, maar de organisatie bleef van mening dat er inzicht moest worden verkregen in de omvang en samenstelling van de joodse bevolking. ,,In 1996 zijn we opnieuw begonnen'', vertelt Kooyman, die weer het onderzoek coördineert. De angst voor nieuwe protesten was groot. Kooyman zegt ,,slapeloze nachten te hebben gehad'', maar uiteindelijk kreeg het onderzoeksteam slechts enkele boze brieven. ,,We hebben duizenden mensen benaderd, en kregen veel positieve reacties.''

Wat is er in die vijftien jaar veranderd? L. van de Kamp was vijftien jaar geleden rabbijn van de Haagse joodse gemeente die als eerste gemeente om principiële redenen niet mee wilde werken aan het onderzoek. Hij denkt dat de huidige generatie minder moeite heeft met registratie omdat zij de oorlog niet aan den lijve heeft ondervonden. En van de generatie die dat wel heeft meegemaakt ,,zijn er niet zoveel meer over''. Het is daarom volgens Van de Kamp voor de jongeren ook niet langer nodig ouders en grootouders in bescherming te nemen en namens hen te protesteren. ,,Het zit de gemeenschap niet meer zo dwars.''

Kooyman denkt dat joden minder bang zijn geworden uit te komen voor hun joods-zijn. ,,Mijn inschatting is dat men toen meer de neiging had niet op te willen vallen. Nu, in deze maatschappij, is etniciteit een factor waarmee je je in de maatschappij kunt onderscheiden.''

Ook de externe factoren die in 1986 voor opwinding zorgden, zijn veranderd. Documentaires over de oorlog en de holocaust hebben lang niet meer zoveel impact. En mensen zijn gewend geraakt aan registratie en verwachten dat deze, onder toezicht van de Registratiekamer, zorgvuldig gebeurt.