De TGV van Corsica

Een nauwkeurige dienstregeling is er niet voor de boemel die van Ajaccio naar Bastia, op Corsica, rijdt. Rotsblokken, koeien, er kan van alles tussenkomen. Maar de tocht loont de moeite: schitterende vergezichten en afgronden wachten de reiziger, en, als toegift, een brug van niemand minder dan Gustave Eiffel.

Wie in korte tijd een mooie dwarsdoorsnede van Corsica wil zien, neemt `U Trinichellu' van Ajaccio naar Bastia. `Dwars door de Alpen, maar dan slanker, met een grote blauwe hemel boven de laricodennen' aldus de Trotter, gids voor de wereldreiziger rammelt het smalspoortreintje van Napoleons deftige geboortestad in het zuidwesten naar de noordoostelijke havenstad. Dat kan vier uur duren als er onderweg veel passagiers in of uit willen stappen, rotsblokken en/of grazende koeien de rails blokkeren, of er moet worden gewacht op een vertraagde tegemoetkomende trein. Maar tijd is niet belangrijk als Corsica's zelfgeproclameerde TGV (Train à Grandes Vibrations) adembenemende landschappen doorsnijdt en, met soms onrustbarende geluiden, negentiende-eeuwse technische hoogstandjes neemt.

Het Corsicaanse spoor vervoert jaarlijks zo'n negenhonderdduizend reizigers. De toeristische helft benut de lijn in de vier zomermaanden, maar extra rijtuigen worden dan niet ingespannen. `Corsicaans spoor' is overigens royaal geformuleerd, want afgezien van de 157,4 kilometer tussen Ajaccio en Bastia is er alleen nog 73 kilometer naar de Balagne, naar Calvi en Ile Rousse. De sporen ontmoeten elkaar in Ponte Lecchia, de enige plaats op Corsica waar nog een trein van de andere kant kan komen. Voor het overige gaat de tocht over enkelspoor, en langs de afgronden en bergwanden is dat heel wat.

Aan de oostkust herinneren plaatsnamen als Ghisonaccia Gare en Aléria La Gare nog aan een derde lijn die in 1935 gereedkwam, maar die hebben de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog verwoest. Wegens een te gering economisch belang is dit spoor nooit hersteld. Dat lag anders bij de bouw van de hoofddiagonaal in de negentiende eeuw. Van 1855 tot 1894 bedwongen de Corsicanen het `onneembare binnenland' met 32 tunnels (totaal 14 kilometer lengte) en 76 viaducten.

Hoewel de Renault-locomotieven uit 1946 onlangs zijn vervangen, doet `U Trinichellu' nog het meeste denken aan een Poolse tram. Zeker als hij zich met veel misbaar in beweging zet. Een toilet is niet aanwezig, laat staan een restauratie. Maar het uitzicht vergoedt veel. Wie in het voorste treinstel zit, kan over de schouder van de machinist meekijken. Vanuit Ajaccio zit je trouwens het beste links: daar gapen de ravijnen en doemen de bergen op; de Monte d'Oru (2391 meter) en de Monte Renosu (2357 meter) en verderop de Monte Rotondu (2625 meter) en de Monte Incudine (2136 meter). Waar je ook bent op het `eiland der schoonheid', een van die bergen ligt altijd op de achtergrond.

Het compacte formaat van de trein blijkt handzaam bij het vertrek uit de hoofdstad van Corse du Sud. We rijden als een verhoogde taxi over de middenberm tussen de drukke Cours Prince Impérial en Boulevard Sampiero, de N193 naar het internationale vliegveld. Het verkeer op Sampiero moet zelfs even stoppen als de trein liever rechts dan links ervan de weg vervolgt over zijn eigen `cours impérial', langs havens en de kobaltblauwe Middellandse Zee. Reizigers in `U Trinichellu' hoeven zich nergens voor te schamen.

Na de afslag landinwaarts passeren we vuilstortplaatsen, een autokerkhof en ander grootstedelijk bijwerk en restanten. Op de achtergrond staan villa's te zonnen in de goudgele en lichtgroene heuvels achter het donkergroene tapijt van de maquis. Een meisje met blonde krullen zet haar walkman op, misschien om naar de melancholieke `l'Emigrante' van I Muvrini te luisteren. ,,Want dat is muziek waar jullie westerlingen van houden'', had de vrouw in de platenzaak in Calvi gezegd.

Voorbij Mezanna heeft een bosbrand de stoppelige maquis veranderd in zwartgeblakerde borstelstruiken. Waarschuwingen aan wandelaars, kampeerders en rokers in de droge zomer lijken gratuit, want de meeste branden ontstaan bij vuilverbranding of worden doodleuk aangestoken om beschermd natuurgebied te transformeren tot landbouwgrond. Blusvliegtuigjes vliegen dan af en aan van zee en brandweerwagens scheuren over de smalste bergweggetjes. Wie met de auto reist, kan ze als tegenligger verwachten, ook waar twee geiten elkaar nauwelijks kunnen passeren.

Vanaf Tavera kruipt het groen langzaam weg en richten de glooiende heuvels zich op tot kale bruine bergen. Na Bocognano begint het echte schouwspel. Het spoor penetreert het Nationaal Regionaal Park door de tunnel van Vizzavona, ten tijde van de aanleg met 3916 meter de langste van Europa. Omdat de kokers van weerszijden net niet even hoog zaten, zou de architect zelfmoord hebben gepleegd. Halverwege is er inderdaad een onheilspellende hobbel en veel gekras en gepiep, maar de trein blijft in de rails. De buis is wel zo recht dat je bij het binnenrijden het lichtpuntje in de verte ziet gloren. We doen er 4 minuten en 45 seconden over, wat spoort met de gemiddelde snelheid. Daarna ranselen de boomtakken de trein weer en het is dan ook niet verstandig het hoofd naar buiten te steken. Naast ons is geen vaste grond te zien, de dieptes zijn adembenemend. Voor de machinist volgt brug op tunnel op viaduct. In elke massieve rotsformatie zit uiteindelijk een gaatje voor de trein.

Het station van Vizzavona (906 meter) ligt ogenschijnlijk verlaten en `surrealistisch' in het naaldwoud. Hier komen veel wandelroutes samen, waaronder de fameuze Grande Randonnée 20. Vandaag lijkt iedereen vroeg uitgewandeld. Ons treintje stroomt helemaal vol, niet iedereen kan zitten. Waardoor de instappende padvindertjes meteen een goede daad kunnen verrichten.

Wegens de schitterende doorkijkjes naar bergen en bossen is het nu een drukte van belang in de trein. Met camera's gewapend springen mensen van het ene raam naar het andere, struikelen over de post voor Corte, belanden bij een onverwachte ruk bij elkaar op schoot. De kermisattractie is compleet met het veelvuldige getoeter van de trein.

In Tattone staan geen facultatieve reizigers en bij Camping Savaggio zwaait slechts een schilder op zijn trappetje, maar niemand maakt het stopsignaal. Vivario is weer een `echt' station en daarna, op weg naar Venaco, rijden we over de beroemde brug van Gustave Eiffel, die op dertig meter hoogte een kloof van 140 meter overspant. Je merkt er niet veel van, maar zo was het natuurlijk ook bedoeld.

De spoorlijn verbindt weliswaar de twee departementale hoofdsteden, maar voor veel Corsicanen is Corte, de volgende stop, al eeuwenlang hun `geheime' hoofdstad in de bergen. Het is de enige stad ter wereld waar je Corsicaanse taal- en letterkunde kunt studeren. We zijn nu ruimschoots over de helft, het meest woeste deel van de tocht ligt achter ons, de bergen zijn bedwongen en de drukte wordt wat hinderlijk. Bovendien is het tijd geworden voor een goed glas wijn. Een waardiger tussenstop dan Corte is niet denkbaar, dus we stappen uit, samen met het meisje van I Muvrini.