Pasolini's Salò voor een nieuwe generatie

Tien jaar geleden draaide Pasolini's Salò ook al in het Amsterdamse Kriterion-theater. Het was, ook vijftien jaar na zijn premièredatum, nog steeds een instant schandaalsucces. Er waren twee momenten in de film waarop mensen walgend of bleekjes om de neus de zaal konden verlaten. Salò uitzitten was blijkbaar stoer, want er kwamen elke dag weer mensen om het te proberen. Ongetwijfeld aangetrokken door de wetenschap dat dit een van de laatste films was die, in 1976, in Nederland verboden was geweest. Verboden vruchten hebben een wonderbaarlijke aantrekkingskracht. Het Filmmuseum biedt de uitdaging aan een nieuwe generatie toeschouwers in twee nieuwe kopieën aan.

Salò beleefde zijn première pas na de gewelddadige dood van de regisseur in de nacht van 1 op 2 november 1975. De klassieke status van de film, die als Pasolini's zwanenzang wordt beschouwd, heeft dáár mee te maken en met de strenge verbeelding van seks en geweld. Salò, o le 120 giornate di Sodoma was de vierde film die Pier Paolo Pasolini (1922-1975) maakte naar grote werken uit de wereldliteratuur. Maar in tegenstelling tot Il decameron, I racconti di Canterbury en Il fiore delle mille e una notte, is de verfilming van markies de Sade's Les 120 journées de Sodome, geen vitaal, volks liefdesfeest, maar een naargeestige exercitie van seks- en machtsmisbruik. Het is voor Pasolini (die in 1949 geroyeerd werd door de communistische partij, na verdacht te zijn van ontucht met minderjarige jongens) een radicale afrekening met de politiek van Mussolini. Niet alleen verplaatste hij de handeling naar het fascistische Italië van 1945, ook is Salò het dorp waar Mussolini zich na zijn afzetting terugtrok.

Het schandaal van Salò stelt een kwart eeuw na zijn uitbreng niet zoveel meer voor. Er is sindsdien wel meer geneukt, gemarteld en seksueel gemoord op het filmdoek. Ook om politieke redenen. Daarbij steekt Pasolini's kille registratie van honderden blote billen en ruggen, klaar om geranseld te worden, mager af. Ook zijn afstandelijke blik (een van de laatste martelingen van de film wordt letterlijk door een verrekijker bespied) is in het nihilisme van de hedendaagse filmkunst gespiegeld.

Salò is daarmee een film geworden die je moet zien als historisch en sociologisch fenomeen. Hoe meer fantasie de toeschouwer heeft, hoe meer hij zich zal laten ontregelen door de beestachtigheden die de fascistische meesters in deze Danteske hel begaan. Zonder aan Pasolini's plaats in de filmgeschiedenis te willen tornen, lijkt het mij dat zijn films momenteel meer cinematografische curiositeitswaarde hebben, dan dat ze werkelijk verwarring stichten.

Zelf verklaarde Pasolini (in 1975!) dat hij zelfs in deze film niet echt tot de essentie van geweld had kunnen doordringen. Het echte geweld kwam volgens hem van de televisie. Wie Salò tot 2001 wil opwaarderen zal dan moeten zeggen dat de persoon in de regelkamer van Big Brother veel te maken heeft met degene die zich in Salò achter de verrekijker verschuilt.

Salò, o le 120 giornate di Sodoma. Regie: Pier Paolo Pasolini. Met: Paolo Bonacelli, Giorgio Cataldi, Umberto P. Quintavalle, Aldo Valletti. In: Kriterion, Amsterdam; Lux, Nijmegen.