Na de paniek

Er worden drie oorlogen gevoerd. De eerste woedt in Afghanistan. Niemand weet precies wat daar aan het `front' gebeurt. Dat is gebruikelijk. De reconstructies van voorgaande oorlogen leren dat ook de opperbevelhebbers vaak maar een vaag vermoeden hebben van het verloop van de strijd. Het publiek wordt strategisch voorgelicht. De tweede oorlog is de terroristische achter het front, waar de aanvaller verwarring sticht. De derde wordt ook achter het front gevochten, in de media. Het is de openbaarste oorlog aller tijden, de oorlog als publiek debat. Niemand is er nog zeker van of aan deze kant wel de goede tactiek en strategie worden gevolgd; bijgevolg heerst twijfel over de afloop; bijgevolg ontstaan de ruzies, het zelfonderzoek, wordt de schuldvraag gesteld, en woedt het conflict over de oorzaken, dikwijls met haat en venijn. Dit alles bij elkaar heet: paniek.

De toestand van nu doet in menig opzicht denken aan een andere sombere fase, ongeveer in het midden van de Koude Oorlog. In 1948 was Tsjechoslowakije, het laatste democratische land in Midden-Europa via een staatsgreep bij het communisme ingelijfd. Dat was het feitelijk begin. De oorlog in Korea, die tegen de twee miljoen mensen, burgers en militairen, het leven had gekost, eindigde in 1953 onbeslist. In hetzelfde jaar werd een opstand in Oost-Berlijn door sovjettroepen neergeslagen. Intussen had de Amerikaanse senator Joseph McCarthy de communistische vijand binnen de muren ontdekt. De beruchte zuiveringen volgden. In West-Europa verzetten grote communistische partijen zich tegen `Amerika', de macht. In 1956 gingen de Hongaarse opstandelingen tegen de sovjettanks ten onder. Een jaar later werd de Spoetnik (eerste kunstmatige satelliet) gelanceerd en daarmee was `het Westen in de ruimte verslagen'. Er waren nog veel meer politieke en diplomatieke nederlagen; te veel om op te noemen.

Het zou de moeite waard zijn, eens te herlezen hoe hoog de haat tussen de partijen in het Westen toen oplaaide; en vooral, welke ondergangstheorieën en wanhoopsrecepten toen door de filosofen en commentatoren (columnisten bestonden nog niet) ten beste zijn gegeven. De sombersten traden in de voetsporen van Spengler en Toynbee. Het Westen vertoonde niet simpelweg tekortkomingen die te verhelpen waren. Nee, er mankeerde intrinsiek iets aan de cultuur van het Avondland. Het hing dan van de criticus af, welke eigenschap de noodlottige was. Met de tegenstander was het anders gesteld. Een hoog moreel had deze vijand. Hij was energiek, inventief en gedisciplineerd.

Jacques de Kadt, die men niet van defaitisme kon verdenken, schreef: ,,Jong, fris en krachtig kan de zwaarbewapende Sovjet Unie de oude droom van het panslavisme, dat het geroepen was over het verrotte Westen te heersen, de politieke, sociale en technische realiteiten geven, die in het oude Rusland volkomen ontbraken. De mystiek van het Oostelijk Christendom en het pan-Slavisme is door de mystiek van het wereldcommunisme versterkt en gemoderniseerd.'' Dat was in 1947. Een wereldmaatschappij onder communistisch gezag – minder wilde Moskou niet. En heel wat mensen in het Westen geloofden dat ze zouden slagen. Het heeft toen nog een jaar of veertig geduurd voor iedereen kon zien dat het tegendeel gebeurd was.

Ook in die sombere tijd, op 31 mei 1958, hield de historicus Pieter Geyl zijn afscheidscollege, Over de vitaliteit van de westerse beschaving. (Ik merk dat `beschaving' tegenwoordig een term is die misverstanden wekt. Hitler en de nazi's zijn ook producten van onze beschaving. Wat bedoel je dan met dat woord? Die ruime betekenis hecht ik er niet aan, zeg ik voor alle zekerheid). Geyl spaart het Westen niet. Hij maakt een inventaris van de grote fouten. Maar, zo begint hij: ,,Het grote probleem van deze dagen is het behoud van de Westerse cultuur.'' En dan rekent hij af met de ongeluksprofeten onder de cultuurcritici, die daaruit afleiden dat het Westen intrinsiek niet meer deugt en daarom tot ondergang gedoemd is. De kracht van het Westen, stelt hij daartegenover, is de vrijheid van zijn politiek, zijn wetenschap, zijn opvatting dat het recht voor allen in gelijke mate geldt, en nog meer deugden die in de propaganda tot platte, ieder ogenblik gebruikte gemeenplaatsen zijn geworden, maar die daarom in hun oorspronkelijke betekenis nog niet minder waar zijn.

Na iedere oorlog komt een `na de oorlog' waarin de partijen zich tijdens de strijd al verdiepen. Als het erna niet de moeite waard was, zouden ze de strijd niet zijn aangegaan. Toen de Koude Oorlog plotseling voorbij was, heerste in het Westen een politiek optimisme dat vorm kreeg in de plannen tot het gebruik van het `vredesdividend'. Nadat Irak zijn oorlog tegen Koeweit was begonnen, kwam Bush sr. met zijn nieuwe wereldorde. Waren dat serieuze plannen of niet meer dan leuzen? Als de initiatieven ernstig waren bedoeld, was het niet ernstig genoeg. Ze zijn ze in ieder geval met hartelijke medewerking van grote meerderheden snel vergeten. In plaats daarvan brak de wedloop naar Luilekkerland los. Buitenlandse politiek, wereldpolitiek werden toegesneden op, tenslotte gereduceerd tot bevordering van de economische mondialisering, met de culturele in het kielzog.

Dat is een `fout' van het Westen geweest. Ik zet het woord tussen aanhalingstekens omdat wat er sinds 1990 is gebeurd zo onmetelijk veel ingewikkelder is, dat het met één woord, een losse veroordeling, niet kan worden benoemd. Het Westen is, met alle tekortkomingen, ook gebleven wat het sinds de Verlichting was: bron van wetenschappelijke vooruitgang, inspirator van fundamentele gelijkheid, datgene wat Geyl in zijn au fond zo montere afscheidsrede opsomt. Dat is hetgeen onze samenleving de wereld verder te bieden heeft.

Deze oorlog is al verloren, schrijft John le Carré in zijn meeslepend artikel, dat deze krant op 20 oktober afdrukte. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Dat we met de 600 miljoen zullen capituleren voor een miljonair, die ons vanuit zijn schuilplaats met gluiperig terrorisme probeert te imponeren? Absurd. We hebben het Palestijnse vraagstuk in de marge laten voortwoekeren, in de hoop dat het vanzelf zou overgaan. Grote vergissing. Misschien bestrijden we degenen die verkeersvliegtuigen en de posterijen gebruiken om onschuldigen te vermoorden, op de verkeerde manier. De miljoenen die geloofden dat het voortaan hun enige zorg was zich verder vol te proppen, raken in paniek. Dat gaat voorbij. Osama bin Laden en de zijnen bestrijden niet het Westen of Amerika, maar de karikatuur die ze er, jammer genoeg met onze medewerking, van gemaakt hebben. Achter de karikatuur staat de werkelijkheid die door Geyl is beschreven. New York is nog altijd het grootste en verdraagzaamste Babylon ter wereld. Dat alles valt met terrorisme niet klein te krijgen.