Militair beleid van Europa is vooral retoriek

Alle goede bedoelingen ten spijt wil het met dat ene, daadkrachtige Europa in de strijd tegen het terrorisme niet lukken. Toch is het daarvoor nu de hoogste tijd, menen Kees Homan en Bert Kreemers.

De Europese Raad heeft de afgelopen week in Gent zijn krachtige steun uitgesproken aan de militaire operaties die op 7 oktober in Afghanistan zijn begonnen. Op een eerdere buitengewone zitting op 21 september jl. verklaarden de Europese regeringsleiders en staatshoofden zich al volledig, en dus zonder beperkingen, solidair met de Verenigde Staten. In het toen vastgestelde actieplan wordt het recht op militaire vergelding nadrukkelijk erkend en kondigen de Europese landen verdere stappen aan. Ieder land draagt aan deze acties bij, uiteraard binnen de grenzen van de eigen mogelijkheden.

Deze daadkracht blijkt in eerste aanleg uit maatregelen op het gebied van politie en justitie. De regeringsleiders en staatshoofden verklaren de al tijden onontwarbare knopen op dat vlak door te hakken. En al jaren wordt gepraat over de invoering van een Europees aanhoudingsbevel in plaats van de huidige, omslachtige uitleveringsprocedures. Maar het zal tot de Europese Raad in december van dit jaar duren voordat de Europese ministers van Justitie de volgende horde op weg naar zo'n aanhoudingsbevel nemen. Dan zal eindelijk een gemeenschappelijke lijst worden opgesteld van terroristische organisaties. Daarover bestaat tot nu toe geen overeenstemming: een schrijnend voorbeeld van het Europese onvermogen.

De lidstaten van de Europese Unie hebben na 11 september benadrukt dat ze de strijd tegen het internationale terrorisme vanuit een gesloten front aanbinden. Nu, zes weken na de aanslagen in New York en Washington, is de daadkracht in de Europese Unie slecht verdeeld. Op militair gebied neemt voor zover bekend tot nu toe alleen Groot-Brittannië deel aan de Amerikaanse vergeldingsactie. Duitsland en Frankrijk hebben inmiddels ook militaire bijdragen toegezegd. In de aanloop naar de bevrijding van Koeweit, elf jaar geleden, reageerde Europa op militair gebied voor de burger zichtbaar eensgezinder.

Nu is het een teken aan de wand dat Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland apart de koppen bij elkaar hebben gestoken om hun mogelijkheden voor een zichtbare bijdrage in de strijd tegen de Talibaan en het netwerk van Osama Bin Laden op elkaar af te stemmen. Voor het vergroten van de Europese slagvaardigheid op veiligheidsgebied is dit een gemiste kans. Van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid is geen sprake. Eerdere afspraken over de vorming van een snel inzetbare interventiemacht ten spijt, beschikt de Europese Unie niet over een eensgezinde en betekenisvolle aanpak in dit soort crisissituaties. De in omvang bescheiden eigen militaire interventiemacht heeft in de meeste lidstaten van de Europese Unie nog niet tot een vergaande omslag in het veiligheidsdenken geleid. Teveel gaan de veelal op zichzelf staande Europese krijgsmachten nog uit van plannen en denkbeelden uit de tijd van de Koude Oorlog. Nieuwe dreigingen en dus een nieuwe oriëntatie op de inzet van de krijgsmacht in crises staan in veel, en dan vooral de kleinere, lidstaten op het tweede plan.

De huidige crisissituatie is bij uitstek het moment om de noodzaak van meer samenwerking en van een andere aanpak onder ogen te zien. Die zal veel meer gericht moeten zijn op nieuwe dreigingen. Zo moet een einde komen aan het gebrek aan samenwerking tussen veiligheids- en inlichtingendiensten, waar ook in de Tweede Kamer op is aangedrongen. Aan `intelligence' is bij de tientallen in de Europese landen opererende veiligheids- en inlichtingendiensten geen gebrek. Het ontbreekt aan tijdige uitwisseling en een juiste inschatting van wat precies relevante informatie is. Daarmee volgen de Europese diensten het spoor van hun Amerikaanse tegenhangers. Ook daar ontbreekt een gemeenschappelijke aanpak, waardoor de ene dienst vaak niet beseft wat de door haar gekoesterde informatie voor een andere dienst kan betekenen. Net als in Europa worden de Amerikaanse inlichtingendiensten overvoerd met informatie. De veelal op geavanceerde technologie gebaseerde werkmethodes stammen nog grotendeels uit het tijdperk van de Koude Oorlog, toen er een duidelijk zichtbare vijand was en de inlichtingendiensten te maken hadden met een vrij overzichtelijk geheel van politieke en militaire informatie, waarop zij hun inlichtingenvergaring konden toespitsen.

Wil Europa zich wapenen tegen de dreiging van het internationale terrorisme, dan is echter meer nodig dan een verbeterde samenwerking tussen een brede waaier van versnipperde diensten. Een grondige herziening van de opzet van de Europese inlichtingendiensten is een belangrijke, zelfs noodzakelijke stap. Ook de werkmethodes zijn aan herziening toe. Zo zal het verkrijgen van inlichtingen via infiltraties in radicale groeperingen en het gebruik maken van `agenten' (human intelligence) een hogere prioriteit moeten krijgen.

De vastbeslotenheid van de Europese Unie in Gent om `het terrorisme in iedere vorm, in de hele wereld te bestrijden' bleek de eensgezindheid binnen Europa weer danig op de proef te stellen. Zo benadrukken de neutrale lidstaten Finland, Ierland, Oostenrijk en Zweden dat de Europese Unie geen gezag heeft op militair gebied. Andere landen vroegen zich al af wanneer er een einde aan de strijd zou komen. Het Gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie komt zo niet verder dan retoriek. Het is niet verwonderlijk dat de grote lidstaten in Gent dan in een onderonsje vooraf de situatie in Afghanistan bespreken. Wil het Europese veiligheids- en defensiebeleid van de grond komen, dan is het nodig voorzieningen te treffen voor een kopgroep van lidstaten – waaronder Duitsland, Engeland en Frankrijk – die in crisissituaties de leiding nemen.

Eind dit jaar zou de eigen, nu in opbouw zijnde, Europese militaire capaciteit tijdens de Europese Raad van Laken operationeel worden verklaard. Het zou verstandig zijn de bescheiden en tegelijkertijd gecompliceerde plannen van de Europese Unie voor de versterking van het Europese veiligheids- en defensiebeleid nog eens tegen het licht te houden. Solidariteit en een effectieve aanpak van het internationale terrorisme vragen om meer dan doorgaan op de ingeslagen weg.

Kees Homan en Bert Kreemers zijn verbonden aan het Instituut Clingendael.