Liquidaties van vijanden zeer omstreden

President Bush heeft volgens een Amerikaanse krant de CIA per dienstorder opgedragen Osama bin Laden te liquideren. Hij herroept daarmee een verbod op liquidaties uit 1976. Vallen liquidaties onder het recht op zelfverdediging?

,,De handschoenen uit.'' Dat is volgens de Washington Post het motto van een geheime dienstorder van president Bush aan de inlichtingendienst CIA over de strijd tegen Osama bin Laden. Het tot dusver verboden middel van ,,dodelijke actie'' is volgens de krant uit de kast gehaald. De Amerikaanse president staat niet alleen. De regering-Sharon in Israël voert al geruime tijd een beleid van gerichte liquidaties tegen de Palestijnen met een beroep op ,,anticiperende zelfverdediging''.

In beide gevallen is sprake van een vorm van oorlog. En daarvoor geldt dat ,,de toepassing van geweld geen logische grens heeft'', zoals Von Clausewitz het uitdrukte in zijn befaamde tractaat uit 1832. Toch moest hij erkennen dat er zelfs in tijd van oorlog ,,bepaalde zelfopgelegde beperkingen'' gelden. Een verbod van aanslagen op vijandelijke leiders behoort daar van oudsher bij.

De Romeinse schrijver en rechtsgeleerde Cicero wees aanslagen af, zelfs die op een buitenlandse agressor. De Britten weigerden in 1806 verontwaardigd in te gaan op een aanbod om Napoleon te liquideren. De prijs op het hoofd van de Panamese dictator Noriega in 1989 tijdens de campagne van de VS tegen het drugsnest Panama werd algemeen door volkenrechtsexperts afgekeurd. Idem in het geval van generaal Aideed in Somalië in 1993.

Volgens sommige volkenrechtgeleerden valt wel te praten over aanslagen op regeringsleiders die tevens opperbevelhebber van hun strijdkrachten zijn, zeker wanneer zij zich in uniform vertonen. Voorbeeld: Saddam Hussein. De andere kant is dan wel dat degenen die de aanslag uitvoeren ook de officiële wapenrok dragen. Zelfs als de soldaten een vermomming gebruiken om het land binnen te komen, moeten ze toch hun uniformen aandoen als ze de missie volvoeren. Men kent de problematiek van de film The Eagle Has Landed over een aanslag op Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd van ,,asymmetrische oorlogvoering'' doen dit soort finesses nogal bizar aan.

Zijn het Israëlisch-Palestijnse conflict en de Amerikaanse strijd tegen het internationaal terrorisme echter wel te kwalificeren als een oorlog? Voor de inzet van strijdmiddelen maakt deze vraag niet eens zoveel uit. De rechtspraak van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag heeft het inzicht opgeleverd dat misdrijven tegen de menselijkheid niet beperkt blijven tot formele oorlogen en reguliere strijdmachten maar ook kunnen worden begaan door zogeheten ,,non state actors''. Het ligt in de lijn deze dan ook rechtstreeks aan te spreken. Dat kan via de strafrechtelijke weg, waaraan allerlei juridische eisen worden gesteld, maar er is ook een afzonderlijke volkenrechtelijke weg.

Het Handvest van de Verenigde Naties kondigt een geweldsverbod af maar erkent een inherent recht van zelfverdediging. Een land dat wordt aangevallen hoeft niet op de VN te wachten. Het gebruik van de term ,,inherent'' lijkt anticiperende of preventieve zelfverdediging te impliceren, zo vindt de Canadese volkenrechtsgeleerde L.C.Green in een boek over het recht van gewapende conflicten. Zijn Britse collega Malcolm Shaw zoekt de verklaring vooral in de ,,enorme snelheid'' waarmee tegenwoordig een vijandelijke aanval kan worden gelanceerd.

Het juridisch precedent gaat terug tot 1837 en betreft het schip Caroline dat werd gebruikt ter bevoorrading van Amerikanen die rooftochten in Canada uitvoerden. De Britten gingen op hun beurt de grens over en vernietigden het vaartuig in een Amerikaanse haven. In de diplomatieke briefwisseling die hierop volgde, formuleerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Daniel Webster een befaamd geworden maatstaf voor de beoordeling van de Britse actie. Deze was te rechtvaardigen indien sprake was van een ,,noodzaak van zelfverdediging, die direct is en overweldigend, die geen keuze laat van maatregelen en geen tijd voor beraad''.

Dit is een hoge drempel. In 1976 formuleerde de Amerikaanse president Ford dan ook een verbod op liquidatieacties tegen buitenlandse leiders. Dit was onder meer een reactie op heimelijke acties tegen premier Patrice Lumumba van Congo en president Fidel Castro van Cuba. Het besluit van Ford was een decreet dat een president altijd kan herroepen, zoals Bush nu kennelijk heeft gedaan. Onder zijn voorganger Clinton was trouwens al een wet aangenomen die onder meer heimelijke actie tegen de ,,internationale infrastructuur van internationale terroristen'' autoriseert. Dat bracht de leiderschapsstructuur al aardig in het vizier.

,,Internationaal recht heeft nooit een geheime dienst tegengehouden'', noteerde The New York Times deze zomer naar aanleiding van de Israëlische acties. Maar de krant citeerde ook een voormalige topjurist van de CIA die een hele serie vragen opwierp: ,,Werkt het? Schrikt het werkelijk af? Maakt het de staat niet een internationale outcast? Stelt het de staat bloot aan vergelding? En wat zegt het over de moraliteit?''

Dat was nog vóór de moord op de Israëlische minister Rehavam Ze'evi.