Jack Wouterse

In een reeks profielen van hedendaagse sterren deze week Jack Wouterse, de woest-rubuuste acteur die liever speelt dan op de bank ligt en nu te zien is in `Magonia'.

,,Ik pleur me in een rol'', vertelde Jack Wouterse (Soest, 17 juni 1957) eens in een interview. Hij mag dan ook met recht een van de meest energieke Nederlandse filmacteurs van dit moment worden genoemd. Hij speelde al in meer dan twintig film- en televisieproducties en stond ondertussen in tientallen theatervoorstellingen. Eén brok graniet is hij, en ondertussen vederlicht als een vlinder.

In een televisieprogramma met Midas Dekkers liet hij eens zien hoe makkelijk het is om te huilen voor de camera. Met scherpe Vicks-zalf bijvoorbeeld. Maar voor de vechtjas die hij in Temmink (Boris Pavel Conen, 1998) speelde, huilde hij echt. Van uitputting en inleving. Op al te veel getheoretiseer over zijn vak zul je hem dan ook niet betrappen. Dingen zijn vaak heel simpel, die moet je ongegeneerd durven laten zien. Misschien wel juist daarom geloof je elke traan die hij plengt, elke stoute blik, elke woede-uitbarsting. Vooral die laatste speelt hij graag. ,,Laat mij nou maar klootzakken spelen. Als ik ooit een Tarzan-film zou maken, zou Tarzan niet die beste vriend zijn zoals we hem kennen. En met Jane zou hij ook heel rare dingen doen.''

Het begon allemaal met zijn eigen kindertheater Viaduct, waarvan hij tegelijkertijd de clown, jongleur, pisteknecht en directeur was. Toen theatermaker Johan Doesburg voor zijn enscenering van John Steinbecks Of Mice and Men een grote vent met gevoel zocht, vond hij die in Wouterse.

Een grote vent met gevoel. Het is een toepasselijke omschrijving voor de meeste van zijn rollen. Net als Lenny onschuldig kijken en ondertussen een konijntje doodknijpen. Of andersom: achter dat indrukwekkende voorkomen een klein hartje verbergen. Of het nu als `romantic lead' is in een van zijn eerste filmrollen in De drie beste dingen van het leven (Ger Poppelaars, 1992), of als seksueel gefrustreerde slager in De Noorderlingen (Alex van Warmerdam, 92) of dit jaar als norse verloren zoon in Lodewijk Crijns Met grote blijdschap.

Waar Johan Doesburg zijn theatervader is, is Paul Ruven zijn filmgoeroe, zoals Wouterse de regisseur met wie hij En route (1993) maakte en waarvoor hij een Gouden Kalf voor Beste Acteur in ontvangst nam, in een gesprek met Het Parool omschreef. Een tweede Gouden Kalf kreeg hij voor Martin Koolhovens bekroonde televisieproductie Suzy Q (1999).

Met Ruven maakte hij ook de uptempo televisiesatire Bed & Breakfast (1997), waarin Wouterse vol manie en berusting de eigenaar van een pension gestalte gaf, die met van alles te kampen had, maar vooral met een stelletje wanbetalende asielzoekers.

Wouterse werkte met meer outsider-regisseurs, zoals eeuwig enfant terrible Theo van Gogh (De pijnbank, 1998; Baby blue, 2001), de zelfgekozen banneling George Sluizer Dying to go Home (1996), maar vertolkt ook moeiteloos (bij)rollen in Nederlandse publieksfilms als Lang leve de koningin (Esmée Lammers, 1995), Do not disturb (Dick Maas, 1999) en binnenkort Minoes (Vincent Bal).