Handelsmuren kwellen textielmarkt

Verdergaande liberaliseringen zijn inzet op de vierde ministeriële top van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De vraag is of die liberaliseringen ten koste gaan van de minst ontwikkelde landen. Op de markt voor textiel zijn arme landen juist geconfronteerd met een gebrek aan liberalisering. Eerste deel van een serie verhalen in aanloop naar de WTO-top in Qatar begin november.

Op de website www.chinaquota.com is te zien dat liberalisering textielproducenten harde dollars oplevert. Het recht van export voor een dozijn T-shirts van China naar de Europese Unie ging begin september van de hand voor 7,80 dollar.

Dat China oploopt tegen de handelsmuren van de WTO is logisch, het land is wordt pas op zijn vroegst eind dit jaar lid van de organisatie. Maar belangrijke textielproducerende landen binnen de WTO (Pakistan, India, Brazilië) worden volgens Wereldbankeconoom W. Martin met dezelfde barrières geconfronteerd. ,,Textielquota en -tarieven zijn een gruwel', zegt hij. ,,Ze zijn een flagrante schending van de meest fundamentele principes waarop de WTO is gebaseerd.'

Op het oog zijn barrières op de wereldtextielmarkt voor een groot deel uit de weg geruimd. Bij nader inzien knellen cruciale belemmeringen nog altijd.

In de jongste zogeheten Uruguay-onderhandelingsronde zijn WTO-lidstaten in 1994 overeengekomen dat de handelsrestricties voor textielproducten stap voor stap worden afgeschaft. Sinds 1 januari 1998 is, in omzet gemeten, 33 procent van de wereldhandel vrij, vanaf 1 januari aanstaande 51 procent en vanaf begin 2005 zijn alle belemmeringen opgeheven.

Dat lijkt voortvarend, maar industriële landen hebben de geliberaliseeerde productcategorieën zo gekozen dat landen als India, Brazilië en Pakistan nu onbeperkt mogen handelen in technologisch veeleisende textielproducten die ze niet of nauwelijks maken. Zo werd de markt voor parachutes, en de hoogwaardige stoffen die daarin verwerkt worden, na de Uruguayronde als een van de eerste vrijgegeven. Het tegendeel geldt voor producten die deze landen in zeer grote hoeveelheden produceren zoals eenvoudige lappen katoen, T-shirts en andere kleding.

Martin heeft becijferd dat van de effectieve quota (maxima die de mondiale textielhandel daadwerkelijk beperken) in de Verenigde Staten tot op heden 0,26 procent is geëlimineerd. Voor de Europese Unie becijfert hij dit percentage op zes. Een akkoord dat EU-handelscommissaris P. Lamy vorige week bereikte met Pakistan is in deze berekening nog niet meegenomen. Pakistan wordt vanaf begin volgend jaar vrijgesteld van heffingen op zijn kledingsexport naar de EU (naar schatting 150 miljoen euro). Dit westerse blijk van goede wil kan niet worden losgezien van de oorlog in Pakistans buurland Afghanistan.

De Sociaal Economische Raad heeft het kabinet vorige week in een brief aan premier Kok opgeroepen zich flexibel op te stellen in WTO-dossiers waar arme landen voordeel mee kunnen behalen. In het concept van de ministeriële verklaring over de agenda voor een nieuwe WTO-top is evaluatie van het textieldossier voorlopig gedegradeerd tot een aanhangsel, samen met andere onderwerpen waarvan daadwerkelijke agendering nog onzeker is. India en andere belanghebbenden blijven er echter fel op aandringen dat hun klachten over de liberalisering van de textielmarkt een hogere prioriteit krijgen.

Op de mislukte WTO-top in het Amerikaanse Seattle liep de hernieuwde agendering van het onderwerp textiel in 1999 stuk op verzet van onder meer Portugal. Ook de Verenigde Staten zjn van mening dat hun textielindustrie onder de buitenlandse concurrentie voldoende klappen te verduren heeft gekregen. Martin van de Wereldbank erkent dat de werkgelegenheid in de Amerikaanse textiel sterk is teruggelopen: ,,Maar dat komt vooral doordat nieuwe technologie de branche minder arbeidsintensief heeft gemaakt.'

Is een meegaande houding reëel met het oog op Nederlandse en Europese handelsbelangen? ,,De Nederlandse industrie zou er niet van wakker liggen als de quota snel worden vrijgegeven', zegt bestuurder C. Lodiers van branchevereniging KRL. ,,Nederland heeft in Europa de slag om conventionele textielproducten al lang verloren. Dat heeft hier medio jaren tachtig al consequenties gehad. Grote ondernemingen als TenCate hebben toen de bakens verzet en het visier gericht op technologisch hoogwaardige producten zoals textiel voor de vliegtuig- en automobielindustrie.'

Toch stelt de Nederlandse textielbranche zich vierkant op achter de Europese belangenverenigingen van werkgevers en werknemers in de textiel (ETUL en TCL) die wèl belangen te verdedigen hebben, belangen bijvoorbeeld van spinnerijen en weverijen in Zuid-Europese landen. De belangengroepen menen dat de Europese Unie bovenop afspraken uit de Uruguayronde geen nieuwe concessies mag doen en vinden dat in het kader van de WTO de handhaving van minimale arbeidsnormen moet worden geagendeerd, iets waar ontwikkelingslanden fel tegen zijn.

Lodiers is het eens met de Europese brancheverenigingen. ,,Afspraak is afspraak', zegt hij over het feit dat cruciale textielproducten nog altijd worden belemmerd door het huidige quotasysteem. ,,Bovendien houdt een land als India zich niet aan de gemaakte afspraken. Landen als Brazilië en India zijn relatief arm, maar hebben een hoog ontwikkelde bovenlaag waar bijvoorbeeld Italiaanse makers van haute couture graag hun producten zouden afzetten. Dat wordt nu met onder meer ingewikkelde douaneprocedures onmogelijk gemaakt.'