Westerse oogkleppen

Oogkleppen dienen om scherper vooruit te zien, maar maken tegelijk ook blind voor wat er om je heen gebeurt. Zoals het islamistisch fundamentalisme door het Westen jarenlang is gebagatelliseerd (zie Afghanistan, waar Bush senior een oliepijplijn belangrijker vond dan de mensenrechten), zo wordt het nu in sommige commentaren in kranten en op televisie gedemoniseerd. Dat wil zeggen: het wordt opnieuw onbegrijpelijk gemaakt, als iets dat op ons afkomt uit een primitief, voor onszelf gelukkig lang vervlogen duister verleden. Hier staart een peilloos kwaad ons aan, dat geen uitleg of duiding behoeft. Sterker nog, zulke pogingen tot begrip in de rationele zin van het woord: het zoeken van een verklaring worden onzindelijk gevonden.

Neem de zogenaamde voedingsbodem-theorie, die wil dat het fundamentalistische ressentiment is gevoed door de rol van het Westen in de regio. Behalve onder post-marxistische radicalen (maar die hebben hun eigen agenda), is die theorie nu snel uit de gratie, als een blijk van zelfhaat. Of hij wordt uitgelegd als de opvatting dat er een direct causaal verband bestaat tussen de rol van het Westen en het terrorisme. Terwijl een voedingsbodem, het woord zegt het al, het omgekeerde doet: een indirect verband leggen tussen verschijnselen. Wie beweert dat het Westen, met zijn steun aan Arabische dictaturen in de regio, het islamisme heeft gevoed, laadt de verdenking op zich Amerika `de schuld te geven'. Maar wie de vrede van Versailles een voedingsbodem noemt voor Duits ressentiment, wil toch ook nog niet zeggen dat de Tweede Wereldoorlog `dus' de schuld is van de geallieerden. Je kunt over díe voedingsbodem-stelling in alle redelijkheid van mening verschillen, dus waarom niet over deze?

Merkwaardig is ook de angstige twijfel die hier en daar de kop opsteekt dat `wij' zwak en decadent zijn, omdat we als postmoderne kwezels niet meer in onszelf zouden geloven, terwijl `zij' sterk en zelfbewust zijn. Het is een zelfverwijt dat in schril contrast staat tot de onmiskenbare economische en politieke dominantie van het Westen. Een terroristische massamoord plegen met burgervliegtuigen is een staaltje van ongelooflijk misdadig fanatisme, maar het betekent nog niet het einde van een wereldhegemonie. Er was dit keer geen keizer Nero die zong boven de smeulende ruïnes.

Toch lijken de reacties op het moslimfundamentalisme wel degelijk ook iets te zeggen over de verhouding tussen Europa en het geloof. Zo horen we nu vaak de analyse dat de islam bedreigend en gevaarlijk is omdat deze godsdienst in tegenstelling tot ons prettig gedomesticeerde christendom nog niet is geseculariseerd, dat wil zeggen: ontdaan van zijn letterlijke aanspraken op waarheid. In de klassieke these van de secularisering gaan moderniteit en verlies van religiositeit hand in hand, en is de islamitische heropleving van de afgelopen decennia dus een anomalie, of hooguit een `laatste ademtocht' van een achterhaalde fase in de menselijke geschiedenis.

Maar misschien is die optimistische theorie zèlf wel een, geseculariseerde, heilsleer. In de leerzame bundel Islam and secularism in the Middle East (Hurst, 2000) waarschuwt de socioloog Peter Berger dat het tamelijk naïef is om te hopen dat `Tibetaanse lama's, Iraanse mullahs en andere religieuzen op den duur allemaal zullen gaan praten en denken als hoogleraren letterkunde aan een Amerikaanse universiteit'. De huidige wereld is eerder in rap tempo aan het ontseculariseren, benadrukt Berger, die behalve naar het succes van de islam verwijst naar de stormachtige groei van het evangelische christendom in Zuid-Amerika. Voor een deel is dat zeker een reactie op de modernisering van de wereld. Maar het wijst er ook op dat mensen nu eenmaal niet, of nog niet, kunnen leven zonder religie en de wereld een onverdraaglijk kil oord vinden zonder transcendent kader dat de lotgevallen van de enkeling te boven gaat. Er zou een genetische mutatie voor nodig zijn om die behoefte achter ons te laten, meent Berger. Dat is waar de Europese Verlichting op rekende, maar tot dusver is eerder het tegendeel gebeurd.

Daar komt bij dat de moslimwereld de afgelopen eeuw op een ongelukkige manier heeft kennisgemaakt met modern seculier bestuur. In Europa ontstond dat uit een lang bevochten compromis tussen wereldlijke en kerkelijke macht, maar in het Midden-Oosten werd het keihard geïntroduceerd door autocratische regimes die godsdienst uit het openbare leven verbanden en hun bevolkingen met fysiek geweld de moderne tijd probeerden binnen te knuppelen. Zie de onderdrukking van een sji'itische rebellie in het Syrische Hama, waar burgers tot in de riolen door militairen werden opgejaagd en vermoord. In de regio heerste zo, nog voor het islamisme, een `seculier fundamentalisme' van regimes die geen enkele oppositie duldden. Zo kon juist de islam het vehikel worden van lokale trots en emancipatie (zoals het nationalisme een eeuw eerder in Europa) en van de verdediging van burgerrechten. Ook anti-kapitalistisch, anti-westers en anti-joods gedachtegoed dat tot dan toe door seculiere Arabische modernisten werd uitgedragen, kon zo religieus worden geïncorporeerd.

Het heeft geleid tot de huidige licht ontvlambare cocktail van het islamisme. Met andere woorden, de huidige moslimwereld is niet achterlijk, geen residu van de Middeleeuwen, maar een mengeling van traditionalisme, gefrustreerde moderniteit en een mogelijk onuitroeibare menselijke hang naar religie. Dat maakt de situatie overigens allerminst onschuldig, eerder explosiever. Juist relatieve teruggang van een ooit vitale cultuur, door een ongelijkmatig proces van modernisering, kan tot de ergste politieke ontsporingen leiden, zoals Duitsland in de jaren dertig van de twintigste eeuw heeft laten zien. Ook het nationaal-socialisme ontstond uit een combinatie van ressentiment, economische mislukking, en een radicale interpretatie van het eigen lot.

Peter Berger ziet twee uitzonderingen op de regel dat de moderne wereld ook nu nog een `massaal religieus oord' is. De eerste is West-Europa, `de enige plek waar de these van secularisatie stand lijkt te houden', en de tweede is de moderne, hoog opgeleide internationale elite, die de voornaamste hoeder is van de Verlichting en het seculiere vooruitgangsgeloof. Mogelijk is daardoor juist voor Europese intellectuelen de rauwe slagkracht van religieus fanatisme zo'n diepe schok. Het zou iets van de voortdurende paniek kunnen verklaren.