Subsidie openbaar vervoer weer terug bij af

Het rijk overweegt het stads- en streekvervoer anders te gaan subsidiëren. Toename van het aantal passagiers telt niet meer, de bevolkingsdichtheid is straks het criterium.

Tot begin jaren '90 kende het stads- en streekvervoer een simpele afrekeningsmethode met het rijk. Regionale uitgaven werden voor de volle 100 procent in rekening gebracht en in de meeste gevallen werd op basis van dat declaratiesysteem ook afgerekend door het rijk. Dat systeem was eenvoudig en overzichtelijk, maar het gaf vervoersbedrijven geen enkele prikkel om prestatiegericht of efficiënt te werken.

In 1994 werd, mede onder druk van het ministerie van Financiën, een vorm van prestatiegericht afrekenen ingevoerd. Vervoersbedrijven kregen een exploitatiesubsidie naar rato van het aantal reizigerskilometers. Maar ook dat systeem werkte in de praktijk niet. Het waren gouden tijden voor met name het streekvervoer op het platteland. Nagenoeg lege bussen op lange trajecten tussen twee dorpen waren een goudmijntje. Daar kon de subsidie flink worden opgekrikt. Het subsidiestelsel bood geen enkele prikkel om de efficiency op onrendabele bussen te verbeteren. In de praktijk kwam het voor dat bedrijven die meer passagiers gingen vervoeren, vervolgens werden gekort, terwijl streekvervoerders met een dalend aantal passagiers juist extra subsidie in de wacht wisten te slepen.

In 1998 kwam het huidige subsidiestelsel met een daadwerkelijke prestatieverplichting. Vervoersregio's werden voortaan afgerekend op het aantal verkochte strippen; op elke gulden aan verkochte strippenkaarten legde het ministerie 1,40 gulden aan rijkssubsidie toe. Hetzelfde geldt voor abonnementen. De huidige subsidiëring van regionaal openbaar vervoer gebeurt daarmee op basis van het aantal reizigers. Of, zoals het in het Besluit Personenvervoer staat: ,,De bijdrage die wordt verleend voor exploitatie van openbaar vervoer aan een concessieverlener wordt berekend door de vervoersopbrengsten te vermenigvuldigen met een rekenfactor.''

Die subsidie van 1,40 gulden per betaalde gulden betekent dat het stads- en streekvervoer voor ruim 58 procent door het rijk wordt ondersteund. Uit de begroting van minister Netelenbos valt af te lezen dat er voor dit jaar 2,5 miljard gulden is uitgetrokken voor subsidiering van het openbaar vervoer.

Het leeuwendeel daarvan gaat direct naar de regionale overheden. Volgend jaar wordt de rijksbijdrage verhoogd tot ruim 2,7 miljard gulden.

Maar een interdepartementale werkgroep van de ministeries van Financiën en Verkeer en Waterstaat wil in het kader van het Nationale Verkeer- en Vervoersplan (NVVP) dat systeem van `passagiershonorering' weer op de helling zetten en het vervangen door een subsidiestelsel waarbij de vervoersregio's jaarlijks een vastgesteld bedrag krijgen. De hoogte daarvan wordt gekoppeld aan de bevolkingssamenstelling van de regio en gecorrigeerd met een factor die samenhangt met de functie van de regio.

De meerjarenbegroting van Verkeer en Waterstaat biedt vooral de grootstedelijke gebieden weinig reden tot optimisme over het geld dat ze de komende jaren kunnen verwachten. Terwijl in de steden het openbaar vervoer moet groeien, stijgen de beschikbare bedragen van het ministerie voor het totaal aan exploitatiesubsidies nauwelijks. Dit kan de betrokken vervoersregio's voor een dilemma plaatsen. Als uitvoering én financiering straks geheel gedecentraliseerd zijn van het rijk naar de lagere overheden, zijn ook de risico's van eventuele tekorten naar het lokale niveau overgedragen. Dat geldt ook voor tekorten als gevolg van de toename van het aantal passagiers na de opening van nieuwe bus-, metro-, of tramlijnen, want die groei vergt extra personeel, onderhoud en exploitatiekosten. Extra exploitatie in de spits is de beste manier om meer passagiers te krijgen, maar het is tegelijkertijd ook het duurste exploitatiemoment. Dat kan lokale bestuurders beducht maken om groei van het openbaar vervoer te stimuleren gezien de hoge kosten, voor eigen rekening, die daaraan zijn verbonden.

Gezocht wordt naar een financieringssysteem dat zowel recht doet aan de prestaties en de kosten van de regionale vervoerders, als de geldstromen van het rijk overzichtelijk houdt.

Eind dit jaar hoopt het kabinet daar definitief een beslissing over te kunnen nemen.