Onvoorspelbaar

Duitsland bevindt zich volgens de zes leidende economische instituten van het land ,,aan de rand van een recessie''. Dit jaar, het jaar dat voorafgaat aan de Bondsdagverkiezingen, zal de grote werkloosheid niet verminderen, zoals de verklaarde ambitie van SPD-bondskanselier Schröder is, maar nog toenemen. Je zou denken dat zoiets de grootste oppositiepartij, de CDU, mooie kansen geeft. Maar wat gebeurt, jongstleden zondag? Bij regionale verkiezingen in Berlijn lijdt de CDU de grootste nederlaag uit haar geschiedenis, van 40,8 naar 23,7 procent, en klimt de SPD met ruim vijf procent naar 29,7.

Dat is nog niet alles, de PDS, de voortzetting van de communistische SED uit DDR-tijden, zit de CDU nu vlak op de hielen. Na 14,6 procent in 1995 en 17,7 in 1999 scoorde zij dit keer 22,6 procent. In Oost-Berlijn haalde zij zelfs bijna de helft van de stemmen. En ook dat is nog lang niet alles, want aan de `rechterkant' van het politieke spectrum wist de liberale FDP, die in de beide vorige Berlijnse verkiezingen gestruikeld was over de kiesdrempel van 5 procent, met een score van bijna tien procent terug te komen in het stedelijk parlement.

De Duitse Groenen, onder hun kopman en minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, landelijk coalitiepartner van de SPD, zijn tot op het bot verdeeld over de Duitse steun aan de militaire acties van de VS en Groot-Brittannië tegen het Afghaanse Talibaan-regime. Maar zij wisten zich toch, na vele eerdere regionale nederlagen in Oost-Duitsland, redelijk te handhaven rondom negen procent, terwijl de PDS, de enige partij die zich vierkant tegen die acties keert, daarvan kennelijk geen nadeel ondervond. Kortom: raadsel, uw naam is kiezer. Kiezer: uw stemgedrag is onvoorspelbaar.

Ja, hoor je nu alom, maar het is in het lange jaren zo verdeelde Berlijn dit keer vast en zeker vooral om plaatselijke kwesties gegaan. Bovenal misschien om de sfeer van bederf en financiële corruptie waaraan de grote coalitie van CDU en SPD afgelopen juni bezweken was nadat de SPD die had verlaten om met de Groenen en met gedoogsteun van de PDS het stadsbestuur over te nemen en nieuwe, tussentijdse, verkiezingen uit te schrijven. De CDU, die al een kwart eeuw regeert en in 1999 (40,8 procent) met afstand grootste partij werd, was misschien daarom ook wel aan een duw toe.

En, hoor je elders wel zeggen, alsof dat al niet langer gold, namelijk sinds de Duitse eenwording in 1990, dat PDS-succes in Oost-Berlijn moet er mede aan worden toegeschreven dat daar, in de gewezen hoofdstad van de DDR, natuurlijk nog heel veel ex-leden van de vroegere SED wonen. Mensen die zich qua baan, aanzien en maatschappelijke kansen vaak nog steeds tot de `verliezers' van de Duitse eenwording rekenen en die in de getructe verbale krachtpatser Gregor Gysi, stemmenjager van de PDS, hun advocaat zien in de psychologische oorlog met de Wessi's. En die, zoals ook elders in de vroegere DDR, bovendien nog veel te weinig hebben gezien van de ,,bloeiende (economische) landschappen'' die de toenmalige CDU-kanselier Kohl in 1990 beloofde. Want ondanks de vele honderden miljarden mark die sindsdien van West- naar Oost-Duitsland zijn gegaan, en ondanks de fantastische verbeteringen in de infrastructuur daar (wegen, stadsvernieuwing, telefonie etc.), laten die bloeiende landschappen nog bijna overal op zich wachten. Wat dat betreft verbaast het niet dat de PDS het in de Oost-Duitse deelstaten Saksen-Anhalt en Mecklenburg-Vorpommern al tot regeringspartij (naast de SPD) heeft gebracht. Want, dat heeft in Berlijn waarschijnlijk óók meegeteld, de partij van Gysi lijkt steeds minder alleen maar uit nostalgische Aussenseiter te bestaan. Zij is intussen ook wat in de richting van de Duitse werkelijkheid opgeschoven. Daarmee heeft ze kennelijk bij zwevende en/of jonge kiezers aan taboewaarde verloren, wat het is maar een veronderstelling tot op zekere hoogte als een pluspunt voor de interne Duitse eenwording kan worden gezien.

In de `oude' (West-Duitse) Bondsrepubliek maakten burgers vaak een mooi en haast `voorspelbaar' gebruik van de federale checks and balances die zij als kiezers hadden. Hadden zij een centrum-linkse coalitie op nationaal niveau aan de macht geholpen of gehouden, dan corrigeerden zij dat als het ware in de deelstaatverkiezingen in de jaren daarna. Namelijk door dan in deze Länder steeds meer centrum-rechtse coalities in het zadel en aan een meerderheid in de Bondsraad te helpen. Dat verplichtte de regeringsmeerderheid in de Bondsdag tot wetgevende en andere compromissen met een politiek `vijandige' meerderheid in de Bondsraad, waarvan de samenstelling wordt bepaald door de politieke verhoudingen in de deelstaten. Zo zag de SPD in de periode 1969-1982, toen haar kanseliers Brandt en Schmidt regeerden, dat de CDU steeds meer deelstaten overnam en via haar meerderheid in de Bondsraad allerlei compromissen afdwong. Omgekeerd zag CDU-kanselier Kohl (1982-1998) de SPD geleidelijk zó groeien in de Länderkammer (de Bondsraad) dat zij daar zijn geplande belastinghervorming kon blokkeren, wat fors bijdroeg aan zijn nederlaag in de Bondsdagverkiezingen van 1998.

SPD-kanselier Schröder heeft er sinds 1998 afwisselend, met intervallen van driekwart jaar, heel goed of juist slecht voorgestaan. De CDU is er, mede wegens een soort permanente crisis in haar top, beroerd aan toe. Die Schröder zit `na Berlijn' voor de Bondsdagverkiezingen van 2002 nu toch echt op rozen, lijkt het. Maar de les van Berlijn is misschien vooral: wij kiezers zijn veel onvoorspelbaarder geworden, u hoort straks nog wel van ons.